De Louwe Kooijmanslezing is een initiatief van het Rijksmuseum van Oudheden en de Faculteit der Archeologie van de Universiteit Leiden, ingesteld ter ere van het academisch afscheid van prof.dr. Leendert Louwe Kooijmans in juni 2008.

Vijfde Louwe Kooijmanslezing door dr. Pierre Pétrequin

De vijfde Louwe Kooijmanslezing wordt gegeven op woensdag 17 april 2013 door dr. Pierre Pétrequin, directeur de recherche van het Centre National de la Recherche Scientifique aan de Université de Franche-Comté, Besançon. Hij is winnaar van de Prehistoric Society Europa Prize 2010. Zijn Engelstalige lezing heet:

Production and circulation of Alpine jade axes during the V-IVth millenium in a European perspective
(Vervaardiging en uitwisseling van Alpiene jadeiet bijlen gedurende het vijfde en vierde millennium v.Chr. vanuit een Europees perspectief)

De verspreiding van bijlen van jadeiet

Vanaf het einde van het zesde millennium voor Christus werd jadeiet gedolven bij Monte Viso in de Italiaanse Alpen, op een hoogte van 1500 tot 2400 meter. Dit vormde het begin van een lange traditie van productie van de bekende grote bijlen: jadeiet, omphaciet en eclogiet. Tijdens het vijfde en vierde millenium raakten ze verspreid over heel West-Europa. Ze worden gevonden op aanzienlijke afstanden van de bron, met een oost-west verspreiding (Ierland-Bulgarije) van 3300 kilometer en een noord-zuid verspreiding (Denemarken-Sicilië) van meer dan 2000 kilometer.

De uitwisseling van Alpien jadeiet vertegenwoordigt een bijzonder fenomeen van contact en interactie tussen niet-egalitaire samenlevingen van een voorheen onbekende omvang. Varna (Bulgarije) in het oosten en de Golf van Morbihan (Bretagne) in het westen lijken deze twee polen van sociale dynamiek te vertegenwoordigen, met een belangrijke vormende invloed op het Europa van het vijfde en vierde millenium voor Christus.

Aanmelden

Graag vóór 15 april 2013 aanmelden door dit digitale aanmeldingsformulier in te vullen en te verzenden.

  • Datum: woensdag 17 april 2013
  • Aanvang: 19.30 uur
  • Locatie: Tempelzaal
  • Entree: gratis
  • Voertaal: de lezing is in het Engels
  • Borrel: u bent welkom op de borrel na afloop van de lezin
© Pierre Pétrequin

© Pierre Pétrequin

© Pierre Pétrequin

© Pierre Pétrequin

De afdeling ‘Archeologie van Nederland’ staat er alweer bijna twee jaar. In de benadering van het algemene verhaal dat we vertellen (300.000 jaar archeologische geschiedenis ) was één van de belangrijke keuzes om niet hét/één verhaal van het verleden te willen vertellen (dus zo leefden de Neanderthalers, of dit deden de Merovingers), maar de bezoeker aan de hand van een keten vindplaatsen door de tijd mee te nemen. Dat betekent dat je in kunt zoomen op plekken om te vertellen wat de mensen daar deden. Dat is dus een kleiner, maar wel objectiever verhaal, dat in de grotere verhaallijn past. Men zit dus veel dichter op de huid van de vroegere bewoners van een plek en leert over de verschillende aspecten van hun levenswijze.

Eén van de vindplaatsen in deze reis door de tijd is Elsloo. Middels objecten van zowel het grafveld als de nederzetting wordt het verhaal van de bandkeramische bewoning uiteen gezeten. In de vitrine met artefacten uit de nederzettingscontext is ook een film te zien over het maken van bandkeramisch aardewerk.  De vitrines worden geaccentueerd door een metersgrote uitvoering van de bandvormige versiering op het aardewerk, weergegeven op het lint dat alle vindplaatsen in de tijd verbindt (zie afbeelding).

Aangezien de bandkeramiek een cruciale nieuwe fase in onze bewoningsgeschiedenis inluidt, de overgang naar een sedentair boerenbestaan, is er tevens voor gekozen een stuk verdieping te bieden middels een audiovisuele ondersteuning. Gekozen werd voor een ‘Google-zoom-moment’, waarbij middels de huidige kaarten van Google Earth ingezoomd wordt op de exacte locatie van de opgraving van Elsloo door Modderman in de jaren vijftig en zestig van de vorige eeuw. Met behulp van nieuwe reconstructietekeningen is vervolgens de situatie van meer dan 7000 jaar geleden uitgebeeld. Binnen de vormgeving door Kinkorn BV werden de tekeningen voor deze audiovisuele ondersteuning gemaakt door Paul Maas en geanimeerd door hem in samenwerking met Frank van Mourik.

De animatie Elsloo begint met een vuursteen slaande man die een klein jongetje het vak bijbrengt. Daarna zoomt het beeld uit en zien we delen van de nederzetting, kuilen, een huis waarvan het dak gedekt wordt, een afgebrand huis, mensen die op jacht gaan, koeien, tuintjes met gewassen. Het beeld zoomt vervolgens nog verder uit en we zien Elsloo als een kleine enclave in het hoog opgaande eiken-lindenbos, het is herfst.  Schuin vanboven zien we de noordwest-zuidoost gerichte boerderijen, de akkers naar het oosten en zuiden en ten noorden van de nederzetting het grafveld waar op dat moment ook een crematie of ritueel plaatsvind. Duidelijk zichtbaar is verder de overgang naar het laagterrras en de loop van de Maas die niet de enkelvoudige stroom is die we nu kennen, maar meer een rivière al îlots.

In de laatste twee scènes zoomt het beeld verder uit. Eerst richten we onze blik naar het noordwesten waar we kort de levenswijze van de Mesolithische bewoners van Hardinxveld zien. Deze vindplaats gaat vooraf aan Elsloo en staat mede in het teken van contacten tussen jager-verzamelaars en vroege boeren, zoals onder meer aangetoond door de vondst van een bandkeramische pijlpunt op Hardinxveld-Polderweg. Het doel van deze combinatie is om het verschil in levenswijze te visualiseren tussen de sedentaire bandkeramische boeren in hun dorpen en de kleinschalige, mobiele jager-visser-verzamelaars op de donken in de Alblasserwaard. Daarna zoomt het beeld nog verder uit en zien we een kaart van Europa, waarbij Elsloo in de context van de eerste en tweede golf van bandkeramische verspreiding wordt geplaatst. Als laatste zoomt het beeld verder uit, buiten Europa, naar de’ vruchtbare halve maan’, de regio waar de wilde voorlopers van onze huidige gewassen en huisdieren zijn gedomesticeerd en waar de wortels liggen van ons boerenbestaan.

Het maken van een dergelijke animatie was  in de eerste plaats vooral een (leuke) uitdaging. Ik had nog niet eerder op zo een manier archeologische informatie moeten vertalen. Duidelijk werd hoe nauw de vertaalslag en communicatie luistert tussen kennis van de inhoud en uitvoering doordat de bandkeramische boerderijen in de eerste versie verdacht veel leken op de Karolingische boerderijen van Dorestad, één van de andere animaties.  Daarnaast was het een uitdaging om bepaalde keuzes te maken. Daarbij hebben we bewust niet gekozen voor een hele duidelijke harde stijl, maar meer voor een schetsmatige opzet, ook om binnen het kader van de algehele benadering niet dé waarheid van hét verleden te presenteren. Een mooi voorbeeld is verder de keuze voor de kleding. Daarbij trok ons enerzijds de realistisch, bijna etnografische benadering van de bandkeramiek in het museum in Halle (Landesmuseum für Vorgeschichte), met veel dierenvellen, tandenkettingen, bloed, rode oker en symbolen en anderzijds de archeologische invalshoek gebaseerd op de figurines door professor Jens Lüning. Uiteindelijk hebben we elementen van beide benaderingen overgenomen en gecombineerd (zie bijvoorbeeld de motieven op de kleding van de mensen en de versiering van de huizen).

Terugblikkend ben ik vrij tevreden over deze animatie. Natuurlijk zou je met meer tijd en mogelijkheden een aantal zaken anders aanpakken, zo ligt de hond nu wel erg dicht in de baan van het rondvliegende vuursteen en ligt Elsloo ook erg dicht bij de Maas. Maar, im groβen Ganzen, is het een beeld waar we mee uit de voeten kunnen (althans voor de komende jaren). Opvallend vond ik dat het best een uitdaging is voor zowel archeoloog als tekenaar om archeologische kennis, waarbij toch een hele reeks vraagtekens blijft bestaan te visualiseren. De moeilijkheid ligt daarin om binnen de bandbreedte aan mogelijkheden datgene uit te kiezen dat enerzijds visueel aantrekkelijk is en overtuigt, anderzijds de wetenschappelijke realiteit het best benaderd en in ieder geval geen geweld aandoet. Ik hoop dat dat ook in de ogen van collega-bandkeramiekers geslaagd is.

Afb. Zicht op de vindplaats Elsloo op de afdeling ‘Archeologie van Nederland’ in het RMO. Op de voorgrond de vitrine met de inhoud van twee graven, de bandvormige versiering in het lint en de projectie van de Google Zoom. Foto Mike Bink/Rijksmuseum van Oudheden.

Tagged with:
 

bron: Leids Nieuwsblad

Archeologen uit de provincie Limburg spreken vrijdag 26 oktober van 14.30 tot 16.30 uur over unieke ontdekkingen en hun onderzoek tijdens de 12 Provinciën Lezingen in het Rijksmuseum van Oudheden. Het museum en Hazenberg Archeologie organiseren elke 2 maanden een lezingenmiddag waarbij telkens de archeologie van een andere provincie besproken wordt. Na edities waarin de provincies Friesland, Noord-Brabant, Gelderland en Zuid-Holland aan bod kwamen, is het nu de beurt aan Limburg.

Conservator Luc Amkreutz van het Rijksmuseum van Oudheden doet samen met Archol onderzoek naar vindplaatsen van ‘de Bandkeramiek’ in Limburg, de vroegste boerencultuur in Nederland (circa 5300 v. Chr.). Over het onderzoeksproject “Terug naar de Bandkeramiek” is in het museum tot en met 25 november een kleine tentoonstelling te zien.

Provinciaal archeoloog Karianne Winthagen vertelt over het icoon van het Limburgse verleden: de Maas. Door de bewoners van Limburg is de Maas verkozen tot ‘Het Landmark Limburg’. In een reis langs de Maas beschrijft Winthagen de Limburgse cultuurhistorische rijkdom, ambities en dilemma’s.

 

Vraagtekens

Conservator Karen Jeneson van het Thermenmuseum gaat de discussie aan over de behoefte aan nieuw onderzoek naar Romeins Limburg. Over het Romeinse verleden van Zuid-Limburg is in het verleden al veel gezegd en geschreven. Maar zelfs na 150 jaar onderzoek staan er nog verrassend veel vragen open. Jeneson gaat met name in op de vraagtekens omtrent de Romeinse nederzetting in Heerlen.

De gemeentearcheoloog van Venlo, Maarten Dolmans, spreekt over de mikwe van Venlo, een joods badhuis uit de 14e eeuw. Deze werd in 2004 ontdekt midden op de Oude Markt tijdens een grootschalig archeologisch onderzoek aan de Maasboulevard. De mikwe, de oudste van Nederland, is in zijn geheel geborgen en te zien in het Limburgs Museum in Venlo.

Nu er alweer een nieuw seizoen van ‘boer zoekt vrouw’ begonnen is, lijkt het succes van agrariërs bij het doorsnee Hollandse publiek meer dan gevestigd. Toch is het de vraag of enkel romantiek en de charmante persoonlijkheid van Yvon Jaspers daar een spil in zijn. Boeren kunnen dat heel goed zelf, zo, om wat ze zijn.

Dat dat ook voor boeren uit het verleden geldt wisten we natuurlijk binnen het project en één van de taken waaraan we ons binnen het project gecommitteerd hebben is dan ook die van publiekscommunicatie. Daartoe dient niet alleen deze blog (en straks de nog mooiere website), maar ook een tentoonstelling die afgelopen zaterdag officieel is geopend. De tentoonstelling heet ‘De eerste boeren. Nieuw onderzoek naar de bandkeramiek in Nederland’ en is te zien in de Muzezaal van het Rijksmuseum van Oudheden tot en met 25 november aanstaande (http://www.rmo.nl/tentoonstellingen/de-eerste-boeren).

;

We hopen in deze presentatie een dubbelslag te slaan. Enerzijds willen we aspecten van het Odyssee onderzoek presenteren, anderzijds de bezoeker ook kennis laten maken met de bandkeramische cultuur en het belang van deze fase voor de ontwikkeling naar onze huidige samenleving. Daartoe hebben we een aantal vitrines ingericht. Een deel betreft facetten van hetgeen ons de afgelopen maanden heeft bezig gehouden. Zo is er een vitrine over het archiefonderzoek, met de oudste foto van LBK aardewerk in Nederland en het zwierige handschrift van dr. Goossens. Ook hebben we nog een oude Rolleicord camera uit de diepten van het museum opgevist. Mogelijk dat Holwerda ooit door deze lens gekeken heeft. Een tweetal andere vitrines belichten het aardewerk en vuursteen onderzoek. Scherven van verschillende nederzettingen worden getoond, evenals Limburg en La Hoguette aardewerk en we hebben ons best gedaan een mooie set bandkeramische werktuigen te presenteren, naast een aantal verschillende grondstoffen. Het nederzettingsverhaal wordt gesymboliseerd door de opgraving van Maastricht-Klinkers, met de veelzijdige Prunkkeramik als stijldoorbrekende en ietwat ontheemde vondsten. Deze worden kracht bijgezet door een foto afkomstig van de University of Washington Libraries met een potlatch ritueel bij de Kwakiutl indianen, waarbij we (subtiel) suggereren dat iets gelijkaardigs de hoeveelheid en verscheidenheid aan vondsten in kuil 1 h zou kunnen verklaren.

;

De meer gekende zijde van de LBK konden we natuurlijk prachtig vormgeven met de rijke collectie van het RMO zelf. We hebben een keur aan potten tentoon gesteld, evenals de bijzondere figurines uit Sittard die lange tijd niet te zien waren. Het leek ons ook een goede gelegenheid eens te tonen hoeveel dissels er uit Elsloo komen (al zijn ze dit natuurlijk niet allemaal). In combinatie met de Papoea dissels die we als bruikleen ontvingen konden we zelfs een motief maken dat in de verte de versiering op het aardewerk reflecteert (zie foto). Topstuk blijft echter de maquette van Elsweiler gemaakt door Baldi Dekker (1984). De zorg die aan deze maquette (gemaakt voor de RMO/Bonnefanten tentoonstelling ‘Op goede gronden’) is besteed maakt dat deze qua impact en inhoud nog steeds een echte eye-catcher is waarbij je meer dan één verhaal kan vertellen. Daags na de inrichting stond er dan ook al een grote schoolklas geïnspireerd omheen, rondgeleid door één van de RMO gidsen.

;

De tentoonstelling eindigt met een voorschot op de resultaten van het onderzoek. Daarbij valt het belang op van het boven water halen en opnieuw bekijken van oude opgravingsgegevens. Nieuwe technieken en kennis zorgen nu voor een veel completer beeld van de LBK in het Limburgse. Dat biedt context aan de gekende nederzettingen, maar roept ook nieuwe vragen op, vooral over verschillen in grondstoffen, technologie, uitwisseling en bewoningsdynamiek aan de linker- en rechterzijde van de Maas en de relatie met de Belgische clusters in het westen.

;

Al met al blijkt wederom dat de boeren van de LBK na 7000 jaar nog steeds glansrijk een confrontatie met het publiek doorstaan. Dat ligt natuurlijk aan hun aantrekkelijke materiële cultuur en aan de manier waarop hun levens- en woonwijze inzichtelijk gemaakt kan worden. Hoewel we steeds meer diversiteit aantonen is de uniformiteit, herkenbaarheid en maakbare wereld van de LBK nog steeds een duidelijk richtpunt voor visualisatie en communicatie. Niet in de laatste plaats denk ik echter dat het ook te maken heeft met waar de LBK voor staat. In veel vormde zij een afscheid van de manier waarop onze soort honderdduizenden jaren lang heeft overleefd. In veel ook vormden deze boeren een nieuw begin, met aspecten van een bestaan dat ons heden ten dage ook nog vele malen meer als herkenbaar tegemoet treedt. In dat licht blijkt dat die aantrekkingskracht van de LBK er misschien één die kan wedijveren met die van ‘boer zoekt vrouw’. In beide gaat het om boeren, maar zeker ook om de kernzaken van ons bestaan.

We zijn blij dat de tentoonstelling er is en dat ze door een investering vanuit ons project en een extra investering vanwege het RMO nu een kleine, maar zeker volwaardige tentoonstelling is geworden. Komt dus allen kijken!!!

;

Nu de tentoonstelling er staat willen we langs deze weg nogmaals iedereen bedanken die zijn steentje (of brokje huttenleem?) daaraan heeft bijgedragen:

Concept en samenstelling

Rijksmuseum van Oudheden

Archol BV

;

Ruimtelijke vormgeving

Van Rosmalen & Schenk

;

Bruiklenen

Gemeente Maastricht

Provinciaal depot bodemvondsten Limburg

Limburgs Geschied- en Oudheidkundig Genootschap

Fred Brounen

Wim Hendrix

Harry Vromen

;

Vertalingen

Jackson Academic

;

Animatie

Cheesehead Animations, met tekeningen van Paul Maas

Tekeningen

Paul Maas

;

 

;

In het laatste nummer van ArcheologieMagazine is een artikel gewijd aan ons Odysseeproject. Het geeft een inkijk in de eerste resultaten ondersteunt door prachtig beeldmateriaal. Het artikel is hier te bezichtigen in PDF formaat

Download98 downloads

 

Meer artikels over archeologie in Nederland en in het buitenland zijn te lezen in het ArcheologieMagazine of Archeologie Online.

 

Tagged with:
 

Al een tijdje lijkt er weinig nieuws van het Odysseefront te komen. Is het project afgelopen? De einddatum is toch inmiddels gepasseerd, of is er geen nieuws meer te melden. Dit alles is niets minder waar!
Het hele team is namelijk zeer hard aan het werk om alle spannende resultaten op papier te zetten. Dit vergt meestal veel tijd en energie waardoor het bloggen wat naar de achtergrond wordt gedrukt. We zijn echter al behoorlijk ver: bijna alle vindplaatsen zijn beschreven en alle relevante materiaalcategorien geanalyseerd. Dat levert een berg data op welke nu beklommen wordt op weg naar de top: de afsluitende rapportage.
Maar er is meer in petto: de eerste voorbereidingen voor een tentoonstelling zijn reeds getroffen. In de Muzenzaal van het RMO zal gedurende de maanden september-november een prachtige overzichtstentoonstelling van het odysseeproject zijn te zien. We hopen er binnenkort meer over te kunnen melden.
Naast het inrichten van de tentoonstelling krijgt langzamerhand ook de opzet van de nieuwe bandkeramiek.nl website vorm. We kunnen haast niet wachten om hem te presenteren maar eerst wordt gekeken in hoeverre alles technisch, binnen het budget, mogelijk is. Wordt vervolgt dus…

We zijn dus wel op de goede weg en de laatste loodjes wegen traditioneel het zwaarst, zo ook voor de Odyssee.
De stilte is dan ook relatief, als een stilte voor de storm!

Tagged with:
 

Een paar weken geleden was het druk op de opgravingszolder van het RMO. Naast de gebruikelijke ‘crew’ (Ivo, Luc, Piet en Tamara) werden we ditmaal vergezeld door Hans Huisman en Bertil van Os van de RCE. Een paar dagen eerder was al een meettafel bij het museum afgeleverd inclusief een tweetal flessen vloeibare helium. Daaraan werd nog een hand-held XRF apparaat toegevoegd voor we op volle oorlogssterkte waren. Doel? Het schieten op scherven. Nu zijn die al kapot dus dit had een zuiver wetenschappelijk oogmerk.

Hoe werkt het (min of meer)?
Met een XRF-apparaat, XRF staat voor X-ray (röntgen) fluorescentie, kunnen bepaalde anorganische bestanddelen van objecten gemeten worden. Het gaat daarbij vooral om de elementsamenstelling, dus, bijvoorbeeld, de hoeveelheid koper, tin, lood, kalium of kobalt. Het apparaat vuurt gedurende een aantal seconden (vaak tussen de halve en anderhalve minuut) een röntgenstraal af. Door de intensiteit van de bundel te variëren worden de verschillende energiewaarden van zich in omloopbanen verplaatsende electronen in het object gemeten voor verschillende elementen. De verkregen waarden zijn typisch voor bepaalde atomen, waardoor aan het einde van de meting een samenstelling van het gemeten object wordt verkregen. Die samenstelling kan, na zorgvuldige analyse en met behulp van voldoende vergelijkingsmateriaal, ons iets vertellen over verschillende aspecten uit het verleden. Ons doel was in de eerste plaats te trachten inzicht te verkrijgen in mogelijke verschillen tussen gebruikte klei en magering voor verschillende typen aardewerk. Daartoe hebben we uit de verschillende vindplaatsen van het Odyssee-project een ruime sample genomen.

Eerste resultaten
Zowel bandkeramisch aardewerk van verschillende vindplaatsen, als ook scherven van La Hoguette aardewerk, Begleitkeramik en Limburg aardewerk werden in het sample meegenomen. Op dit moment is het te vroeg om de resultaten te duiden, maar enkele opvallende zaken kunnen reeds gemeld worden. Wat het bandkeramische aardewerk betreft waren de signalen aangaande de verschillende bestanddelen in de klei redelijk homogeen, maar was er onderling toch voldoende aanleiding om te suggereren dat er mogelijk verschillende kleibronnen gebruikt zijn en dat er ook variaties optreden in de bijmenging van de kleipasta. Nu is dat misschien niet zo verwonderlijk, maar in ogenschouw nemende dat de LBK vaak geschetst wordt als een eenvormige cultuur lijkt het erop dat daaronder toch misschien een breder spectrum aan keuzes schuilging. Dat gold nog meer voor de eerste indicaties aangaande de overige scherfgroepen. Deze bleken vaak binnen hun eigen groep variabeler van samenstelling, dan tussen de verschillende groepen onderling. Enerzijds is de herkomst hier een factor die dit voor een deel bepaald, de scherven kwamen nu eenmaal van verschillende vindplaatsen, maar anderzijds zegt het misschien ook iets over de verscheidenheid in tradities en de vrijheid in technologische en grondstof gerelateerde keuzes die er bestond.
Wellicht werd er in het vroeg Neolithicum op vrij diverse wijze aan technologische processen invulling gegeven. Dat is natuurlijk op de zaken vooruit lopen, maar het lijkt niet ondenkbaar dat de mate van interactie en uitwisseling van objecten en kennis, zowel tussen de boerengemeenschappen onderling, als in relatie tot andere, al dan niet aardewerk producerende groepen, wellicht best intens was. De XRF gegevens zijn nu nog zo groen als gras, maar de vragen die ze oproepen prikkelen in ieder geval wel de verbeelding.

Wordt vervolgd!

Tagged with:
 

Een heet hangijzer voor het Nederlands bandkeramisch onderzoek is wie nu de eer krijgt als eerste bandkeramische resten gevonden, of beter gezegd herkend, te hebben. Je zou zeggen dat dit redelijk eenvoudig is maar dat blijkt anders te liggen.
In België was het Omalien (zoals de LBK toen werd genoemd) al eerder herkend. Het werd ook gevonden in Noord-Frankrijk maar meer toevallig zoals bijvoorbeeld bij het uitgraven van loopgraven bij het Franse Vimy op de hellingen van het dal van de Leije (omgeving Lens) zoals beschreven werd in Le Feu door Henry Barbusse. In deze socialistische aanklacht tegen de Eerste Wereldoorlog, gebaseerd op zijn eigen dagboek, wordt beschreven hoe tijdens het uitdiepen van loopgraven naast de skeletten van gevallen onder de aarde bedolven kameraden ook prehistorische stenen bijlen, vermoedelijk bandkeramische dissels, werden gevonden. Saillant detail is dat het werktuig blijkbaar beter in de hand ligt dan de reguliere legerbijl. Jammer is dan weer wel dat de vinder in het boek, de Parijse barman Tulacque, zich daarna voordoet als een aapmens. Dat is toch niet echt een treffende beschrijving voor een bandkeramische boer wiens vakkennis betreffende het maken van bijlen net geprezen werd.

De eerste vermelde Nederlandse bandkeramische vondst (hoewel niet als zodanig herkend) komt waarschijnlijk op naam van Casimir Ubaghs uit Maastricht (gepubliceerd in Sprenger 1948). Ook Ubaghs had dissels in de omgeving van Maastricht gevonden maar kon ze niet geheel in tijd of naar cultuur niet plaatsen. Hij hoopte vooral op meeroevernederzettingen aan de Maas bestaande uit prachtig geconserveerde paaldorpen zoals deze begin 19e eeuw in de Zwitserse meren zijn aangetroffen. Hoewel hij de prehistorische ouderdom van de dissel erkende meent hij desondanks -of misschien wel dankzij- dat hij aan de voet van de Caberg aan de oever van de Maas, ook een meer (of beter gezegd Maas-)oevernederzetting heeft gevonden (Ubaghs, C. 1884:Publications de la Société Historique et Archéologique dans le Duché de Limbourg, X X I (nouvelle série Tome I), 1-92). Helaas resteert weinig van de vondsten die Ubaghs destijds heeft gedaan zodat deze niet verder in context zijn te plaatsen.
Het Canadian National Vimy Memorial is een oorlogsmonument in Frankrijk ter nagedachtenis van de Canadese soldaten die sneuvelden tijdens de Eerste Wereldoorlog. Het monument staat in de gemeente Givenchy-en-Gohelle op een herdenkingssite op de heuvelrug van Vimy (Vimy Ridge). De omliggende herdenkingssite is een bewaard slagveld uit de Slag van Vimy.

foto: Het Vimy Memorial in het door oorlogsgeweld gepokte landschap

 

We moeten dus op zoek naar de persoon die bandkeramische vondsten of sporen, de destijds bekende hutkommen of zoals in België genoemd: de fonds des cabanes van de Omaliencultuur, als zodanig herkende. Bij het doorspitten van de archieven van het RMO komen een aantal onderzoekers van het eerste uur in aanmerking voor de ereprijs: Holwerda, conservator en directeur van het Rijksmuseum voor Oudheden uit Leiden die al in 1905 voorspeld dat het niet lang zal duren totdat vondsten uit het Omalien in Nederland zouden worden gevonden, de huisarts/amateurarcheoloog Beckers uit Beek die zich begin jaren ’20 ontpopt als een ware pionier voor de Limburgse archeologie, Remouchamps, assistent van Holwerda, de priester-(rijks)archivaris Goossens uit Maastricht en pastoor Kengen uit Caberg. Genoemde personen blijken uiteindelijk allen een belangrijke rol te spelen in het verhaal. In 1924 werden namelijk in Stein in het huidige haventerrein opgravingen uitgevoerd door Remouchamps en dr Beckers. Daar was een Romeins praetorium of gasthuis gelegen alsmede een “germaansche burcht” die door beide heren werd onderzocht. Hoewel de aandacht voornamelijk uitging naar de Romeinse vondsten, waren er ook enkele bijzondere bijvangsten. Op enige afstand van het gebouw bevonden zich naast ijzertijdsporen ook enkele hutkommen waarin overduidelijk bandkeramische resten zaten (voor de problematiek daarbij zie Een gedateerd Trio). Aangezien de opgravingscampagne over enkele jaren werd uitgesmeerd en Remouchamps helaas voortijdig overleed, konden pas in 1929 de resultaten van het onderzoek worden gepubliceerd.

Het lijkt er op dat in Stein dus de eerste bandkeramische resten werden ontdekt door Remouchamps en/of dr Beckers, wilde het toeval niet dat op de Caberg in Maastricht een pastoor met een grote tegenwoordigheid van geest goed over zijn schaapjes waakte. In de groeven t.b.v. de baksteenindustrie werd bij het weggraven van de löss opmerkelijke prehistorische vondsten gedaan. Deze vondsten bestaande uit aardewerk en vuurstenen werktuigen werden door de verbaasde directeur ir. Marres van de groeve aan de pastoor getoond. Hoewel niet precies wetende wat hem getoond werd, besefte de pastoor dat de vondsten niet van alledag waren en zeer waarschijnlijk prehistorisch van ouderdom. Hij nam de vondsten mee en liet ze aan dr. Goossens zien die meer verstand van oudheden had en waar hij wel vaker oudheden naar toe had gebracht. Waarschijnlijk in samenspraak met Holwerda, met wie Goossens een zeer goede relatie had, werd een aantal vondsten herkend als zijnde bandkeramiek. In een klein artikeltje in het tijdschrift van het Limburgs Geschied- en Oudheidkundig Genootschap wordt in 1925 ruchtbaarheid aan de vondst gegeven.

Aan Goossens komt dus uiteindelijk de eer toe als eerste in Nederland de ‘bandkeramiekcultuur’ herkend en in druk vermeld te hebben (Goossens, J.W.H. 1925, Berichten [s.v. Maastricht], De Maasgouw 45, 70). Op de melding van Kengen en Goossens volgt al in 1925 een opgraving door het Rijksmuseum van Oudheden onder leiding van Holwerda door Remouchamps en Beckers. De opgravingen liepen met onderbrekingen tot in 1934. Grappig genoeg bevinden deze opgravingen zich precies boven op het Maasterras waar aan de oever van de Maas Ubaghs nog de eerste meeroevernederzetting herkend meende te hebben.

Tagged with:
 

Juli 2011

Inmiddels is de Odyssee ruim 6 maanden geleden begonnen. Het begint onderhand mythische vormen aan te nemen waarbij de Wet van Murphy geregeld van toepassing is. Nadat we enige tijd van de lotusbloemen gegeten hebben vanwege de gunning van de subsidie is de realiteit inmiddels duidelijk. Het grootste struikelblok was Maastricht-Klinkers. Aangezien een groot deel van de vondsten van deze opgraving niet waren beschreven, is besloten om alle vondsten opnieuw te beschrijven. Ook omdat uiteindelijk alle vondsten in het depot van de gemeente Maastricht gedeponeerd gaan worden. Eindelijk terug naar Limburgse bodem. Het is echter wel een hele klus; onze eigen Polyphemos.  Maar we hebben hem al dronken gevoerd en zijn bezig de paal die hem zal verblinden te verhitten. Oftewel,de vondsten zijn gesplitst en analyse is begonnen. Op dit moment worden de laatste vondsten gesplitst. Het betreffen de oudste onderzoeken van de bandkeramiek van Howerda te Maastricht-Caberg en Elsloo-spoorlijn en van Remouchamps te Stein. Het blijkt een volgende obstakel te zijn. Maar goed, Odysseus was dan ook niet echt lekker aan het cruisen. Het probleem zit hem onder andere in de documentatie van vondsten en sporen in die tijd. Een mooi voorbeeld is de opgraving van Geleen-Bergstraat. Daar werden tijdens de bouw van een huis door de eigenaar bandkeramische vondsten gedaan in een drietal kuilen. Deze werden gemeld via Anthony Jansen aan dr. Goossens van het Oudheidkundig museum  te Maastricht (thans Bonnefanten) waarop deze ook de kuilen onderzochten. Geruime tijd later zou ook het RMO onder leiding van Bursch een kijkje nemen en de kuilen onderzoeken. Het gevolg was dat de 294 vondsten fijntjes over drie collecties werden verdeeld. Ze zijn nu weer bij elkaar.

Een overzichtje laat zien om welke hoeveelheden het gaat. Uiteindelijk zullen meer dan 40.000 (!) vondsten de revue passeren. We zullen trachten om de komende tijd opmerkelijke vondsten te tonen. Duidelijk is wel dat er genoeg opmerkelijke vondsten tussen zitten.

Tagged with:
 
Set your Twitter account name in your settings to use the TwitterBar Section.