Tag Archives: LBK

20121209-103201.jpg

TV Bandkeramiek

Enige weken geleden stond de opgraving van Elsloo weer volop in de belangstelling. MosasaurusFilm in samenwerking met KFproductions, filmen een documentaire over de bandkeramiek waarbij het onderzoek in Elsloo een centrale rol speelt. Tijdens de opgraving afgelopen zomer hebben zij onder tropische omstandigheden reeds verscheidene dagen de veldwerkzaamheden gefilmd. Het gehele werkproces vanaf het aanleggen van het opgravingsvlak tot aan het bemonsteren van de sporen werd vanaf de grond maar ook vanuit de hoogte gefilmd. Het leverde spectaculaire beelden op.
Afgelopen dinsdag werd vooral het analysetraject gefilmd waarin de onderzoekers hun verhaal deden. Op het kantoor van Archol werd gefilmd en kwamen de verschillende vondsten aan bod en werd uitgebreid ingegaan op de vele facetten van het bandkeramisch aardewerk.
In een wat gemoedelijkere setting werden de eindresultaten van de verschillende opgravingscampagnes uit 2006 en 2012 besproken en gepast binnen het grote onderzoek van Modderman in de jaren ’50 en ’60 van de vorige eeuw in Elsloo.
Doel van de filmopnamen is het verzorgen van een aflevering voor de alom geprezen tv serie Expeditie Limburg die voor L1 in opdracht van de provincie Limburg werd gemaakt. Een nieuw seizoen van deze serie zal in ieder geval opgesierd worden met de opgravingen in Elsloo.

20121127-154630.jpg

De filmopnamen in volle gang: Piet van de Velde verhaalt over het bandkeramische aardewerk.

Ein besonders schönen Parallelismus?

De XRF-metingen van onze collega’s van de RCE bleken een hoop vragen op te roepen en te duiden op een vrij dynamische samenleving, die allesbehalve rigide in elkaar zat. Nu is die kennis niet nieuw, Modderman schreef in 1988 al een artikel getiteld ‘Diversity in Uniformity’ dat benadrukt dat de LBK minder eenzijdig, uniform en conservatief is dan we denken. Anderzijds is het ook zo dat de LBK ten opzichte van andere (latere) neolithische groepen nog steeds ook een toonbeeld van herkenbaarheid zijn en dat er hoe dan ook sprake is van een samenleving waarin toch een heel aantal zaken (huizenbouw, aardewerkversiering, begrafenisrituelen) tenminste deels aan strakke culturele mores verbonden lijken (zie ook Sommer 2001). Die herkenbaarheid van de LBK heeft in het verleden wel eens rare vormen aangenomen. Zo liep ik een paar weken geleden in de Slegte aan tegen een dun boekje getiteld ‘Die ältere Kupfer-Steinzeit Palästinas und der bandkeramische Kulturkreis’ van de hand van Dr. Dr. Anton Jirku, van de universiteit Bonn. Het boekje is in 1941 uitgegeven in Berlijn. Het is duidelijk dat je in zo een uitgave met die titel niet de meest gangbare interpretatie van het verleden gaat vinden. Opvallend is dat het boekje voor het grootste deel bestaat uit een deel met afbeeldingen, waarin steeds links en rechts vaatwerk en andere artefacten uit de Levant, voornamelijk Teleitāt Ghassūl in Palestina, maar bijvoorbeeld ook Byblos in Syrië worden vergeleken met bandkeramisch aardewerk in de meest brede zin. De auteur groepeert onder LBK aardewerk ook tell aardewerk afkomstig uit Zuid-Europa (Vinča en andere vindplaatsen). De redenen voor deze merkwaardige combinatie komen in het kortere eerste deel ter sprake. Het doel van Dr. Dr. Jirku is namelijk aan te tonen dat er tussen de Kupfer-Steinzeit in Palestina en de bandkeramische Kulturkreis in Zuid-Europa nauwe banden bestaan. Daartoe onderscheid hij drie mogelijkheden, waarvan de eerste twee meteen worden verworpen. De eerste theorie gaat uit van het achterblijven van eenzelfde paleolithische bevolking in Zuid-Europa en Palestina, ‘aus deren rassischer Verlagung heraus sich ein solcher Paralleismus deuten liesse’. De twee de mogelijkheid betreft migratie vanuit Palestina naar Zuid-Europa, maar daarvoor ontbreken volgens de auteur alle historische aanwijzingen. De derde en uitverkoren these luidt: ‘So bleibt nur noch die Möglichkeit übrig, das starke, dem bandkeramischen Kreise angehörende Volksteile ihren Weg auch nach Palästina gefunden haben. Dies ist vornherein um so wahrscheinlicher, als solche Wanderungen der Bandkeramiker nach anderen Teilen des Mittelmeeres schon nachgewiesen. Vervolgens stelt Jirku dat, indien het lukt zijn derde these te bewijzen er voldoende aanwijzingen zijn om reeds in het 4e millenium v. Chr. (NB. Dit zijn de dateringen uit de jaren dertig, dus voor (gecorrigeerde) radiokoolstof dateringen) een niet-semitische migratie naar Palestina en Syrië aan te tonen en om, op basis daarvan en in tegenstelling tot Buttler en Childe, de vroegste wortels van de LBK zo een duizend jaar eerder te plaatsen. De erop volgende bewijsvoering geschiedt vooral visueel en wordt onderbouwd door teksten als ‘ein besonders schönen Parallelismus’ en ‘Irgenwelche Zusammenhänge lassen sich hier wohl nicht leugnen’ en ondersteund de these ‘dass die ältere Kupfer-Steinzeit Palästinas befruchtet wurde von einem Volksteil, der sich von der ältesten bandkeramischer Kultur loslöste und bis nach Palästina wanderte …Erstmals wäre damit erwiesen, dass Palästina schon am Beginn des 4. Jahrtausends v. Chr. Von nichtsemitischen Einwandern besiedelt wurde, deren Blut dort nicht mehr verloren ging.’ Daarnaast wordt daarmee ook de LBK met zo een duizend jaar vervroegd…

Het is er mij hier niet om te doen een karikatuur te schetsen van het soort onderzoek dat er voor en tijdens de oorlogsjaren door een deel van de Duitse archeologen in Nazi-Duitsland (en daarbuiten) werd verricht. Het moge duidelijk zijn dat de opvattingen en ideeën van de bij deze ideologie betrokken onderzoekers al vrij snel ook weer gedateerd waren (zie voor een goed perspectief op de Nederlandse archeologie in deze periode het proefschrift van Martijn Eickhoff). Mij was echter nog niet eerder een case-study bekend die zo duidelijk de bandkeramiek als onderwerp neemt. Opvallend vind ik ook de mate waarin de argumentatie er ‘aan de haren bij wordt gesleept’, iets dat een onderzoeker in die tijd toch ook niet helemaal serieus kon nemen. Afgezien van de visuele vergelijking in het beeldgedeelte van het boek, waarbij de Parallelismus soms toch wel erg basaal is (een komvorm, platte bodem, knobbeloor, of zelfs een maalsteen, komen op nog wel een paar plekken en in nog wel een paar culturen op min of meer dezelfde wijze voor) wordt en passant ook in een voetnoot genoemd dat er gebruik is gemaakt van juist de bandkeramische potten die nog geen spiral-mäander versiering vertoonden. Dit is gebaseerd op een vergelijking met vindplaatsen van de Vinča cultuur, zoals die van (Szomos Ujvar) in Roemenië, waar een laag met onversierde keramiek voorkwam onder een laag met versierd aardewerk. Jirku (pp.16) geeft daarbij wel aan dat hij het aan de prehistorici van Europa overlaat daar verdere conclusies uit te rekken. Een korte zoektocht op internet leverde weinig informatie over Dr.Dr. Jirku op, maar hij lijkt vooral te associëren te zijn met de archeologie van de Levant en de bijbel. Vooralsnog ben ik in de bandkeramische literatuur (wellicht niet toevallig) nog geen verwijzingen naar Dr.Dr. Jirku tegengekomen. Desalniettemin blijft het een vreemd voorbeeld van de manier waarop archeologie en in dit geval de LBK gebruikt wordt om politieke en nationalistische ideeën voor het voetlicht te brengen. In het geval van Jirku’s Parallelismus wellicht op weinig overtuigende wijze, maar in andere gevallen helaas veel sluipender.

Eickhoff, M. 2003. De oorsprong van het ‘eigene’. Nederlands vroegste verleden, archeologie en nationaal-socialisme, Boom, Amsterdam.

Jirku, A. (1941). Die ältere Kupfer-Steinzeit Palästinas und der bandkeramische Kulturkreis’, Walter de Gruyter & Co, Berlijn.

Modderman, P. J. R. (1988). “The Linear Pottery Culture: diversity in uniformity.” Berichten van de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek 38: 63-140.

Sommer, U. (2001). “Hear the instruction of thy father, and forsake not the law of thy mother,’ Change and persistence in the European Early Neolithic.” Journal of Social Archaeology 1(2): 244-270.

Schieten op scherven

Een paar weken geleden was het druk op de opgravingszolder van het RMO. Naast de gebruikelijke ‘crew’ (Ivo, Luc, Piet en Tamara) werden we ditmaal vergezeld door Hans Huisman en Bertil van Os van de RCE. Een paar dagen eerder was al een meettafel bij het museum afgeleverd inclusief een tweetal flessen vloeibare helium. Daaraan werd nog een hand-held XRF apparaat toegevoegd voor we op volle oorlogssterkte waren. Doel? Het schieten op scherven. Nu zijn die al kapot dus dit had een zuiver wetenschappelijk oogmerk.

Hoe werkt het (min of meer)?
Met een XRF-apparaat, XRF staat voor X-ray (röntgen) fluorescentie, kunnen bepaalde anorganische bestanddelen van objecten gemeten worden. Het gaat daarbij vooral om de elementsamenstelling, dus, bijvoorbeeld, de hoeveelheid koper, tin, lood, kalium of kobalt. Het apparaat vuurt gedurende een aantal seconden (vaak tussen de halve en anderhalve minuut) een röntgenstraal af. Door de intensiteit van de bundel te variëren worden de verschillende energiewaarden van zich in omloopbanen verplaatsende electronen in het object gemeten voor verschillende elementen. De verkregen waarden zijn typisch voor bepaalde atomen, waardoor aan het einde van de meting een samenstelling van het gemeten object wordt verkregen. Die samenstelling kan, na zorgvuldige analyse en met behulp van voldoende vergelijkingsmateriaal, ons iets vertellen over verschillende aspecten uit het verleden. Ons doel was in de eerste plaats te trachten inzicht te verkrijgen in mogelijke verschillen tussen gebruikte klei en magering voor verschillende typen aardewerk. Daartoe hebben we uit de verschillende vindplaatsen van het Odyssee-project een ruime sample genomen.

Eerste resultaten
Zowel bandkeramisch aardewerk van verschillende vindplaatsen, als ook scherven van La Hoguette aardewerk, Begleitkeramik en Limburg aardewerk werden in het sample meegenomen. Op dit moment is het te vroeg om de resultaten te duiden, maar enkele opvallende zaken kunnen reeds gemeld worden. Wat het bandkeramische aardewerk betreft waren de signalen aangaande de verschillende bestanddelen in de klei redelijk homogeen, maar was er onderling toch voldoende aanleiding om te suggereren dat er mogelijk verschillende kleibronnen gebruikt zijn en dat er ook variaties optreden in de bijmenging van de kleipasta. Nu is dat misschien niet zo verwonderlijk, maar in ogenschouw nemende dat de LBK vaak geschetst wordt als een eenvormige cultuur lijkt het erop dat daaronder toch misschien een breder spectrum aan keuzes schuilging. Dat gold nog meer voor de eerste indicaties aangaande de overige scherfgroepen. Deze bleken vaak binnen hun eigen groep variabeler van samenstelling, dan tussen de verschillende groepen onderling. Enerzijds is de herkomst hier een factor die dit voor een deel bepaald, de scherven kwamen nu eenmaal van verschillende vindplaatsen, maar anderzijds zegt het misschien ook iets over de verscheidenheid in tradities en de vrijheid in technologische en grondstof gerelateerde keuzes die er bestond.
Wellicht werd er in het vroeg Neolithicum op vrij diverse wijze aan technologische processen invulling gegeven. Dat is natuurlijk op de zaken vooruit lopen, maar het lijkt niet ondenkbaar dat de mate van interactie en uitwisseling van objecten en kennis, zowel tussen de boerengemeenschappen onderling, als in relatie tot andere, al dan niet aardewerk producerende groepen, wellicht best intens was. De XRF gegevens zijn nu nog zo groen als gras, maar de vragen die ze oproepen prikkelen in ieder geval wel de verbeelding.

Wordt vervolgd!

Tatort Talheim

Afgelopen week reisden Ivo, Piet en ik oostwaarts naar Bremen om aldaar deel te nemen aan de Arbeitsgemeinschaft Neolithikum op het 7e Duitse archeologiecongres. Hoewel de lezingen aldaar, met name gericht op het thema van het eindigen van culturele verschijningen, mooi aansloten op ons Odyssee onderzoek was het congres niet het enige dat ons zal heugen aan deze reis. Op de heenweg bezochten we namelijk ook Kalkriese, alwaar Varus 2002 jaar geleden gedurende drie dagen van intense gevechten zijn legioenen verspeelde alvorens zichzelf op zijn zwaard te werpen. Het museum rondom de Varusslacht had dan waarschijnlijk ook niet toevallig gekozen voor de nu lopende tijdelijke tentoonstelling ‘Tatort Talheim’.
De tentoonstelling vertelt het verhaal van een moordpartij die zich zo een 5000 jaar voor de Varusslag afspeelde in de buurt van Talheim, Neckarraum. Daar werden in korte tijd 34 mensen op brute wijze vermoord, waaronder 16 kinderen. De daders waren vermoedelijk eveneens bandkeramiekers uit dorpen in de buurt. De lichamen zijn uiteindelijk in een grote kuil gedumpt en werden pas in 1983 ontdekt door de Landwirt Everhard Schoch toen deze in zijn groententuintje aan het spitten was. Het daarop volgende onderzoek van de archeoloog Wahl bracht de spectaculaire vondst pas echt aan het licht. Daarbij speelde het uitzonderlijk nauwkeurige fysisch antropologische onderzoek en de DNA-verwantschapsanalyse een belangrijke rol. Niet alleen de relatie tussen de slachtoffers kon zo worden vastgesteld, maar, ook vaak tot in het pijnlijkste detail, de wijze waarop ze hun laatste minuten beleefden.
Als doorgewinterde LBK-fanatici waren we natuurlijk bekend met Talheim en blij verrast de tentoonstelling op de heenweg mee te kunnen pikken, maar na het zien van de tentoonstelling was de sfeer in de auto toch wat minder uitbundig… en terecht. Tatort Talheim weet op een gepaste, maar indringende wijze duidelijk te maken wat er zich in die uitbarsting van geweld afspeelde. Leidraad vormt daarbij het tegenwoordig poulaire CSI-achtige kader, voorgesteld door een Tatort met lampen en linten rondom de opgravingsplattegrond. Deze wordt omzoomd door de vondsten, zoals dissels en botmateriaal, waarbij de schedels met disselinslag redelijk confronterend zijn. Lopend door de tentoonstelling ontdek je echter langzaamaan dat het niet een abstracte aflevering van Bones of CSI is waar je doorheen loopt, maar iets dat echt gebeurd is, met echte mensen. De makers hebben die snaar mijns inziens op een evenwichtige wijze weten te raken door nergens bloed, geweld en spektakel de hoofdtoon te laten voeren, maar juist subtiliteit. Langzaamaan ontwaar je rondom je in de zaal 34 individuen, kinderen, vrouwen, mannen, bejaarden. Het zijn rode silhouetten, abstract. Kom je dichterbij dan hebben ze allemaal een documentatielabel. Ze hebben een nummer, geen naam, maar wel ineens een leeftijd, een postuur, indicatie van gezondheid en wijze van overlijden. Bijvoorbeeld een jonge vrouw (84/4) van 20 jaar en 1,59 m lang met tandsteen en groeistoornissen, waarschijnlijk echtgenote van 84/2+83/16, (familie 1), 3 keer op het achterhoofd geslagen. Een man van 60 (83/3A), met zes zonen en vier kleinkinderen, slag op het achterhoofd. Of een kleuter van 3 jaar oud (84/24), 0,59 m lang en met enigszins scheve tanden en een vitamine C tekort, eveneens met ingeslagen schedel. In enkele gevallen worden de laatste ogenblikken nog extra benadrukt doordat de fysisch antropologische analyse de opeenvolgende handelingen die fataal waren heeft kunnen reconstrueren, de zogenaamde Tathergang. Daaruit bleek de agressie van de aanval en het lijden van de slachtoffers, zonder dat dit pathetisch of spectaculair wordt benadrukt.
Aan het eind deed de tentoonstelling dus waarvoor ze gemaakt is; de bezoeker de boodschap geven dat geweld niet iets is van ons tijdperk, maar veel eerder van ons als mens. Zo verandert Talheim het lang geldende beeld van vredig naast elkaar levende Neolithische samenlevingen in iets dat helaas dichter bij onze werkelijkheid staat dan we misschien gemakkelijk vinden.

De tentoonstelling staat nog to 8 januari. Mocht u in de buurt zijn ga dan zeker even kijken.

http://www.kalkriese-varusschlacht.de/varusschlacht-ausstellung/aktuelle-sonderausstellung/tatort-thalheim.html

http://de.wikipedia.org/wiki/Massaker_von_Talheim