Tag Archives: IJzertijd

Holwerda

Een gedateerd trio

Het zal menig onderzoeker van het Limburgs prehistorische erfgoed niet ontgaan zijn dat bij veel bekende bandkeramische opgravingen ook laat prehistorische bijvangsten zijn gedaan (uiteraard geheel afhankelijk van het perspectief van de onderzoeker). Als voorbeeld kunnen we bijvoorbeeld de ijzertijderfjes noemen die zijn aangetroffen te midden van de bandkeramische nederzettingen van Geleen-Janskamperveld, Elsloo-Koolweg, Stein-Keerenderkerkweg op de Caberg bij Maastricht. Ook Romeinse resten in de vorm van een grafveld, praetorium of villacomplex worden dikwijls in combinatie met bandkeramische sporen gezien zoals bijvoorbeeld te Stein meerdere malen is waargenomen.
Het is echter geen nieuwetijds verschijnsel. Al in de pioniersjaren van het onderzoek naar de bandkeramiek is het bijna sacrale trio ook bijvoorbeeld Holwerda opgevallen. Hij schrijft erover nadat hij de opgravingen ten behoeve van het uitgraven van de haven van Stein heeft gepubliceerd. Hij noemt daar dat het voorkomen van de drie verschillende culturen (Donaucultuur, “Germaansche” La Tene en Romeinse cultuur) door hem en Remouchamps is geconstateerd bij opgravingen van hutkommen op de Caberg en bij Stein. Hij stelt dat ook bij tal van opgravingen in de Eiffel deze belangrijke waarnemingen zijn gedaan. Hieruit zou volgen dat “…getrouw aan zijn vooropgezette praehistorische chronologie, spreekt men daarbij altijd van een opeenvolging van verschillende kultuurperioden op dezelfden bodem…” Dus drie verschillende culturen achtereenvolgend op dezelfde plek gewoond en nu weer teruggevonden. Maar uit de aantekeningen van Remouchamps (deze was inmiddels overleden zonder dat hij zijn opgravingen in Stein had kunnen publiceren) meende Holwerda op te maken dat uit meerdere sporen, met name de hutkommen, vondsten afkomstig van alledrie de verschillende culturen waren teruggevonden. Deze schijnbare gelijktijdigheid van vondsten in gesloten context ontlokte zelfs de volgende uitspraak van hem: “…Voor hem (!), wien de praehistorische chronologie nog geen onaanvechtbaar geloofsartikel geworden is, is dit zeker een gewichtig feit, om rekening mede te houden.

Nu jaren later weten we dat er van een gelijktijdigheid geen sprake kan zijn. Sterker nog, middels bijvoorbeeld C14-dateringen is aangetoond dat tussen  de bandkeramiek en ijzertijd en Romeinse tijd een periode van een slordige 4000 jaar zit. Hoe het komt dan dat we vondsten van de drie culturen binnen hetzelfde spoor aantreffen. De meest voor de hand liggende verklaring betreft dat het hier gaat om de zogenoemde nazakvulling van een spoor. Nadat een kuil is opgevuld, blijft er een lange tijd nog een kleine depressie of deuk in de grond over omdat de losse grond waarmee de kuil is gevuld langzaam inklinkt. Deze depressie vult zich langzaam met allerlei materiaal afkomstig uit de directe omgeving van het spoor. Zo kan het dat eeuwen later nog materiaal in de bovenste vulling van het spoor terechtkomt. Een andere verklaring kan zijn dat in een jongere periode er een nieuw spoor in het oorspronkelijke bandkeramische spoor is gegraven waarin weer vondsten zijn gevallen.

Hoewel we de uitspraken en observaties van Holwerda en Remouchamps in de tijd van de eerste onderzoekers gezien moet worden, kan men nu toch wel spreken van een gedateerd trio.