Tag Archives: Holwerda

Ivo van Wijk oreert over de reconstructieplaat van Mikko Kriek, Cannerberg, Centre Céramique Maastricht

LBK weer thuis!

Zoals ook de wet van Malta propageert is het een belangrijke taak voor de archeologie dat de informatie over nieuwe ontdekkingen en vondsten ook gecommuniceerd  wordt naar een breder publiek. Binnen het Odyssee-project zijn we die verplichting ook aangegaan tegenover NWO en dat is uitgemond in onder meer deze website en een kleine tentoonstelling, getiteld ‘de eerste Boeren’ in het Rijksmuseum van Oudheden, waarover eerder al werd bericht. Nu is die communicatie noodzakelijk maar ze blijft toch ook in enige mate abstract omdat het de verslaglegging van een onderzoek en resultaten betreft, van deels nog niet afgerond onderzoek, en buiten de directe context van het gevondene. Vanuit het perspectief van het RMO is dat een van de manco’s, het gemis van een landschappelijke omgeving, waar een verhaal echt thuis hoort. Gelukkig bleef het daar niet bij. Vrij kort na de presentatie meldde zich, onder meer,  het Thermenmuseum in Heerlen in de persoon van conservator Karen Jeneson. Men was erin geïnteresseerd de presentatie over te nemen. Hoewel het zwaartepunt van het Thermenmuseum natuurlijk de Romeinse bewoning van Zuid-Limburg betreft, heeft men geen oogkleppen op en heeft, zeker ook binnen het samenwerkingsprogramma Historisch Goud, de ambitie om de Limburgse archeologie breder in de kijker te spelen. Daarom toog ik eind juni dan ook naar mijn geboorteplaats om samen met Karen de tentoonstelling in te richten.  Hoewel de presentatie voor een belangrijk deel dezelfde is als in Leiden, heeft de tentoonstelling door het ruimtegebruik, de andere vitrines, met andere afmetingen en de aparte plek voor de maquette toch een andere ‘feel’. Sommige stukken zijn beter te zien en je kijkt er op een andere manier naar. In de communicatie naar buiten ligt het accent ook meer op de rol van de LBK in Limburg met als titel: ‘De eerste boeren. Over de bandkeramiek op de Zuid-Limburgse lössgronden’. Opvallend is ook de tekst op de website: ‘Met deze presentatie zijn de schatten van Limburg weer terug op Limburgse bodem!’ Het lijkt me goed dat op te vatten als een positieve vorm van chauvinisme, waarbij het doel is de mix van beheer van archeologische objecten, onderzoek, het maken van tentoonstellingen en het tonen van vondsten en nieuwe ontdekkingen nationaal en regionaal zoveel mogelijk te maximaliseren. De tentoonstelling is in ieder geval nog tot en met 1 juni 2014 in Heerlen te bewonderen en zoals eerder al werd bericht zal in het najaar een lezingenprogramma plaatsvinden. Houd de website van het Thermenmuseum in de gaten: http://www.thermenmuseum.nl/activiteit/de-eerste-boeren-van-nederland.

Tweetal vitrines van "De eerste boeren', Thermenmuseum Heerlen
Tweetal vitrines van “De eerste boeren’, Thermenmuseum Heerlen
Een vitrine met dissels, vuursteen, en een maalsteen 'De eerste boeren' Thermenmuseum Heerlen
Een vitrine met dissels, vuursteen, en een maalsteen ‘De eerste boeren’ Thermenmuseum Heerlen
maquette Elsweiler 'De eerste boeren' Thermenmuseum Heerlen
maquette Elsweiler ‘De eerste boeren’ Thermenmuseum Heerlen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Een ander voorbeeld is de presentatie die onlangs in Maastricht opende naar aanleiding van de opgraving van de bandkeramische nederzetting op de Cannerberg. In samenwerking met Archol en de gemeente Maastricht/Centre Céramique is hier, na gunning van het project, door het Rijksmuseum van Oudheden en Centre Céramique een presentatie gemaakt, getiteld: ‘De eerste Maastrichtenaren waren tóch boeren’ (zie: http://erfgoed.centreceramique.nl/index.php?id=3985). Samen met conservator Wim Dijkman richtte ik daar medio juli de presentatie in.

De mini-expo die nog tot 1 september loopt biedt een eerste blik op de ontdekkingen gedaan op de Cannerberg. Zo komen, (naast een stuk ontdekkingsgeschiedenis, dat begint met de brief van Kengen aan Holwerda en tevens een vitrine met vondsten van ontdekker Hub Philippen), diverse vondsten uit de bandkeramiek, ijzertijd, Romeinse tijd en moderne periode aan bod.

Bijzonder is dat de tentoonstelling slechts enkele weken nadat de laatste schep de grond in was gegaan plaatsvond: de modder zat er soms nog aan. Op die manier konden de mensen uit Maastricht, die al via diverse artikelen en filmpjes op de hoogte van de ontdekkingen waren gehouden meteen een kijkje komen nemen van/bij hún erfgoed. Op die manier merk je dat wat door de archeologen de nederzetting ‘Hoogcanne’ is gedoopt al snel onderdeel van het culturele repertoire van de Maastrichtenaren wordt. Hoewel ik als boer uit Segietere natuurlijk vooral trots was op  de titel, bleek die associatie en ‘het claimen van het verleden’ ook uit de Maastrichtse versie ervan: ‘dus de eerste boeren waren Maastrichtenaren’.

Een mooie kroon op deze Blitztentoonstelling vormt de reconstructietekening die door Mikko Kriek gemaakt is. Doordat een deel van de uitwerking van de gegevens al tijdens het veldwerk plaatsvond was er op het niveau van de nederzetting zelf al heel wat informatie beschikbaar. Aan de hand daarvan en de input van verschillende experts kon een tot de verbeelding sprekende reconstructie van ‘Hoogcanne’ gemaakt worden. Juist dat soort beeldende elementen brengt voor veel mensen het verleden dichterbij.

Uit beide voorbeelden spreekt de waarde van het tonen van cultureel erfgoed in de regio waar het gevonden wordt. In het geval van Heerlen de ambitie om een podium voor Limburgse archeologie te zijn en in het geval van Maastricht door het publiek direct bij recent ontdekt erfgoed te betrekken. De rol van het RMO krijgt in dit soort projecten ook steeds meer gestalte. Uit de plannen voor het nieuwe museumbestel en in de in juni verschenen museumbrief van het ministerie van OCW blijkt dat deze rol ook degene is die van ons in de toekomst wordt verwacht. Het RMO is in die zin een centraal museum of moedermuseum dat niet alleen in huis, maar juist ook regionaal haar collectie en kennis inzet in publiekscommunicatie. Van enkel een instituut worden we wellicht ook meer een netwerk en een merk. De enthousiaste samenwerking met de collega’s in Maastricht en Heerlen, maar ook bv. in Ede afgelopen jaar vormt daar een voorbeeld van. Wellicht hebben we de periode van parochialisme versus Bovenmoerdijkse arrogantie, waarmee Holwerda al kampte nu wel definitief achter ons gelaten.

door Luc Amkreutz

Ivo van Wijk oreert over de reconstructieplaat van Mikko Kriek, Cannerberg, Centre Céramique Maastricht
Ivo van Wijk oreert over de reconstructieplaat van Mikko Kriek, Cannerberg, Centre Céramique Maastricht
Net uit het Veld'Cannerberg Centre Céramique Maastricht
Net uit het Veld’Cannerberg Centre Céramique Maastricht
Overzicht van de tentoonstelling, Cannerberg, Centre Céramique Maastricht
Overzicht van de tentoonstelling, Cannerberg, Centre Céramique Maastricht
Stein-Haven OMROL1928

Verplaatste sporen

Al enige tijd is er weinig nieuws van het Odysseefront. Dat wil echter niet zeggen dat er niks gedaan wordt. In tegendeel juist! Na al het inventariseren van vondsten en opgravingsdocumentatie, worden nu de verhalen rondom de opgravingen geschreven om zodoende de contextinformatie aan de materiaalspecialisten te leveren. Immers, de waarde van een vondst kan pas goed gemeten worden aan het spoor of laag waaruit deze afkomstig is. Voor al de verschillende opgravingen die tijdens het project zijn geïnventariseerd, worden alle aangetroffen sporen en structuren in kaart gebracht, beschreven en getypeerd oftewel een antwoord gegeven op de vraag wat de aard, karakter en omvang van de aangetroffen sporen zijn. Als eerste worden daarom de oude veldtekeningen uit de kast gehaald en gevectoriseerd. Dankzij het E-depot van de Nederlandse Archeologie (EDNA) zijn er ook scans van deze tekeningen. De afzonderlijke tekeningen van een opgraving zijn daarna samengevoegd tot een totaaloverzicht zodat alle sporen ten opzichte van elkaar bestudeerd kunnen worden. Dit kan soms verrassende uitkomsten opleveren, vooral bij de oudere opgravingen. Het is ook een goed voorbeeld waarom je je gegevens goed moet documenteren zodat ook latere generaties van de opgegraven informatie gebruik kunnen blijven maken; een van de hoofddoelstellingen van het EDNA data archiveringsproject.

Stein-Haven OMROL1928

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Bij de opgraving te Stein-Haven is te achterhalen wat de consequenties zijn als de opgraver (Remouchamps in dit geval) voortijdig in 1927 komt te overlijden waardoor de uitwerking door een ander geschied (Holwerda). Remouchamps had namelijk de gewoonte om zijn aantekeningen op de veldtekening te noteren, wetende dat deze later toch overgetrokken werd ten behoeve van een publicatie. Links de gepubliceerde tekening uit de OMROL en rechts zoals wij hem uiteindelijk hebben weten te reconstrueren. Wat er precies mis is gegaan in het proces is onduidelijk maar zeker is dat de gepubliceerde tekening enigszins afwijkt van de werkelijkheid zoals op bijgevoegde tekeningen is te zien. Het Romeinse gebouw aan de linkerzijde blijkt goed te zijn ingetekend. Opmerkelijk echter is dat een aantal proefsleuven in eerste instantie niet aanwezig zijn maar op de originele “klad”tekening van Remouchamps wel aanwezig waren. Frappant is dat op de drukproef voor de OMROL (uiteindelijk gepubliceerd in 1928) aantekeningen geschreven zijn dat er sleuven toegevoegd moesten worden en putlocaties veranderd. Wie heeft deze aantekeningen op de drukproef geschreven en waarom zijn ze niet toegepast? Zijn het de laatste aantekeningen van Remouchamps voordat hij ziek wordt en komt te overlijden? We zullen het nooit weten. Heel misschien kan het volgende licht werpen op de situatie. In een hoekje van een van de tekeningen heeft Remouchamps aangegeven waar de sleuven ten opzichte van elkaar en op welke percelen zijn gegraven. Het blijkt dat als je alles nameet, niet alle sleuven netjes binnen de percelen zijn gegraven. En dat gegeven mocht misschien niet officieel op een tekening worden vermeld. Dit kan wellicht afgeleid worden uit de publicatie van de heren Beckers & Beckers (1940), dezelfde mannen waarmee Remouchamps in Stein op die locatie had gegraven. In hun overzicht van de Limburgse archeologie in de vooroorlogse jaren staat namelijk dat zij op een gegeven moment op de percelen naast daar waar Remouchamps heeft gegraven, nu ook gegraven kon worden. En daarbij werd een prachtige (vermoedelijk late ijzertijd, zie Van Hoof 2009) plattegrond opgegraven. De begeleidende tekst laat geen twijfel bestaan over de inmiddels eerder genoemde vertroebelde relatie tussen Beckers sr en Remouchamps (zie dit blog). Er wordt namelijk gesteld dat bij het opgraven van de plattegrond gezocht werd naar alle vier hoeken om zodoende de grootte vast te stellen. De zuidwesthoek kon in eerste instantie niet worden gevonden (deze bevond zich in een van de sleuven van Remouchamps) maar vermeld werd dat Remouchamps gelukkigerwijze zijn sleuven te “hoog” (niet te diep uitgegraven) had aangelegd waardoor bij het verdiepen van het vlak de hoek en wandgreppel van het huis toch in het vlak zichtbaar werd. Deze sneer is verbazingwekkend te noemen aangezien in alle tekeningen van Remouchamps duidelijk een greppel in de proefsleuf is waar te nemen die de hoek omgaat. De publicatie van Holwerda dateert uit 1928 dus Beckers zou toch voldoende tijd hebben gehad om de tekening in de publicatie goed te bestuderen, zeker aangezien hij zelf een bijdrage aan die publicatie heeft geleverd. Het waren geen vrienden en ieder gelooft zijn eigen waarheid. Feit is wel dat de verplaatste sporen nu weer op de juiste wijze naast elkaar zijn afgebeeld om de werkelijke waarde van de opgraving recht aan te doen.

huis-beckers

“Hartelijke groeten, ook aan mevrouw”

Het odyssee onderzoek behelst niet alleen het opnieuw bekijken en beschrijven van de vele vondsten. We proberen ook de vondsten in hun context te zetten. Dat is voor de meeste opgravingen niet al te moeilijk maar vooral voor de ‘oudjes’ (opgravingen van voor 1940) blijkt dat wat moeilijker te zijn zoals we hier al eerder berichten. Omdat uitgebreide dagrapporten meestal ontbreken, zijn we afhankelijk van de briefwisselingen tussen diverse personen waar verslag wordt gedaan van de werkzaamheden. Het briefarchief van het RMO bood ons toegang tot de vele brieven die geschreven werden. Het gaat daarbij om de correspondentie tussen bepaalde hoofdpersonen in dit verhaal, te weten Holwerda (directeur RMO), Remouchamps (assistent Holwerda), Bursch (assistent Holwerda), Goossens (rijksarchivaris te Maastricht), Beckers (huisarts en amateur archeoloog), Nijst (assistent en later opvolger Goossens) en Kengen (pastoor en amateur archeoloog).
Op basis van de brieven kunnen we ons een beeld vormen van hoe destijds gegraven werd, hoe de vondsten werden verdeeld over de verschillende collecties en soms waar ze gevonden werden. Het geeft ons ook een kijkje hoe de opgravingen uitgevoerd werden. Meestal werd als bekend was waar en wanneer er door het RMO opgegraven werd, lokaal een aantal werklieden ingehuurd door ofwel Goossens, Nijst, Beckers of zelfs hun voorgraver Jansen. De assistenten van Holwerda (Remouchamps en zijn opvolger Bursch) reisden samen met voorgravers als Bosch af naar het zuiden om de opgravingen op te starten. Saillant detail is dat de gravers ongeveer 3 gulden per dag kregen (55ct/u), hetzelfde kostte ongeveer het hotel waar Holwerda in verbleef als hij ter plekke overnachtte. Remouchamps en Bursch berichten meestal per briefkaart van de vorderingen in het veld en bediscussiëren diverse theorieën zoals het gelijktijdig voorkomen van diverse cultuurperioden op dezelfde locatie (waar ik ook al eerder over berichtte zoals de trouwe lezertjes zullen weten). In de korte briefwisseling tussen Beckers en Holwerda is te zien dat Beckers prachtige briefkaarten heeft waarop zijn huis is afgebeeld. Goossens bespreekt met Holwerda de grote lijnen waarbij eens te meer duidelijk is hoe belangrijk Goossens is voor het onderzoek van het RMO in het zuiden. Hetzelfde zal voor Nijst gelden hoewel deze relatie veel minder amicaal was dan die met Goossens. Met Beckers wordt vooral gecorrespondeerd over de opgraving van de villa in Stein en over een gezamenlijk artikel voor de Oudheidkundige mededelingen. En later over de hoeveelheid afdrukken die eenieder denkt te krijgen of moeten geven. Het is vooral Kengen die meer uitgebreide beschrijvingen geeft van zijn waarnemingen op de Caberg. Helaas zijn vooral kaarten afwezig waardoor het moeilijk is om alles weer op de juiste plaats te kunnen plaatsen. Wel zijn vele schetsjes aanwezig die een tipje van de sluier doen oplichten. Het meest is Kengen “bezeten” van het grachtenstelsel. Hij komt er veel tegen maar waarschijnlijk verward hij ook prehistorische grachten met greppels die gegraven zijn bij de diverse belegeringen van Maastricht. Verscheidene hebben al geprobeerd deze puzzel op te lossen (Disch, Louwe Kooijmans en Thanos) en ook wij menen weer een duit in het zakje te mogen doen. We weten nu al dat we het niet gaan oplossen maar zijn wel weer een grote stap verder gekomen!

huis-beckershuis-beckers_achterkant-kaart

 

 

 

Hoewel het in de brieven in eerste instantie draait om de opgravingen komen we echter ook wat te weten over meer persoonlijke zaken zoals gezondheidstoestand, onderlinge wrevel, roddels en achterklap. Zo is duidelijk in het briefarchief te zien hoe de relatie tussen Holwerda en Beckers bekoeld. Komen we van Goossens te weten dat hij een belabberde voordracht geeft en dat het handschrift van Bursch nagenoeg onleesbaar is. Van Kengen wordt eens te meer duidelijk dat hij een voornamelijk agrarische parochie bestierd (die van Oud-Caberg) en bij elke kaart of brief wordt dan ook gewag gemaakt van het weer en de gevolgen daarvan voor gewassen.

Naast alle archeologische en politieke overpeinzingen alsmede persoonlijke intriges,vetes en meer, valt juist de hoffelijkheid in het briefverkeer op. In deze eeuw van hufterigheid is het een verademing om de welgemeende interesse in elkaars persoonlijke welstand te lezen. Bijna elke kaart of brief begint en eindigt met de vraag naar de gezondheid van de geadresseerde (“…van huis tot huis…”) en eindigt met de hartelijke groeten aan mevrouw, behalve bij de geestelijken natuurlijk. En er is nogal wat aan de gang. Velen weten van het vroegtijdige heengaan van Remouchamps. Voor Holwerda was het naast een persoonlijk gemis ook een probleem door het wegvallen van een gewaardeerde assistent. Hij zat midden in een fantastische opgraving op de Caberg en de relatie met Beckers was al dusdanig aan het bekoelen dat hij daarmee niet verder wilde of kon. Pastoor Kengen had in 1928 een vervelende infectie gehad aan zijn been waardoor hij lange tijd geen waarnemingen kon doen bij de groeven op de Caberg. Toen hij weer ter been was bleef hij tot aan zijn dood in 1936 getrouw melden vanaf de Caberg. Holwerda’s vrouw stierf in al in 1932 toen de opgravingen in volle gang waren. Eind februari dat jaar beëindigde Goossens dan ook voor de laatste maal zijn brief met “hartelijke groeten, ook aan mevrouw”, iets wat hij daarvoor altijd trouw pleegde te doen. Twee jaar (1934) later stierf ook Goossens en daarmee ook de persoon die als eerste het belang van die allereerste bandkeramische vondsten van pastoor Kengen inzag en herkende. De nalatenschap van Goossens zorgde ervoor dat Nijst zowat direct overspannen raakte.

Met zo’n soap is het ook niet verwonderlijk dat de resultaten van de Caberg nog nooit uitvoerig zijn gepubliceerd. Hoewel we tijdens onze Odyssee ook af en toe het niveau van een soap weten te benaderen, hopen wij echter onze klus te klaren. De gegevens zullen worden gepubliceerd….. en de soap die kunt u bijhouden op deze website.

 

 

Fotoarchief Kentgens

Oude opgravingsfotos gevonden

Bij de start van de Odyssee heeft op deze blog al een oproep gestaan om indien u oude opgravingsfoto’s van bandkeramisch onderzoek in uw bezit heeft of weet waar ik ze kan vinden, deze aan ons door te geven.

Hier is gelukkig door een aantal mensen al gehoor aan gegeven en langzamerhand wordt de collectie groter. Binnenkort willen we dan ook deze foto’s standaard als diavoorstelling op onze site afdraaien zodat deze mooie platen niet voor het grotere publiek verborgen blijven.

Afgelopen zaterdag werd ik wederom gewezen op een nieuwe bron: het fotoarchief van dhr. Kentgens aanwezig in het digitale stads(beeld)archief van de gemeente Sittard-Geleen. Binnen de collectie een aantal mooie glasplaten van foto’s die gemaakt zijn in opdracht van of voor dr. Beckers waarover we al meerdere keren hebben geschreven. In het vooroorlogse archeologische strijdperk was hij (later samen met zijn zoon) één van de pionieren die de Limburgse archeologie op de kaart heeft gezet. Eén foto is al eerder op de site geplaatst maar we willen een andere mooie foto niet onthouden. Waarschijnlijk ook gemaakt tijdens opgravingen in de jaren 20 in het thans havengebied van Stein.zoon) één van de pionieren die de Limburgse archeologie op de kaart heeft gezet. Eén foto is al eerder op de site geplaatst maar we willen u een andere mooie foto niet onthouden. Waarschijnlijk ook gemaakt

Voor de liefhebbers: op de website van het RMO zijn eveneens foto’s van objecten te zien. Tikt u gerust Modderman, Holwerda, Bursch of Remouchamps in en een zee van de meest prachtige foto’s komen binnen handbereik.

 

De eerste, de oudste, de grootste, etc.

Archeologen zijn altijd op zoek naar superlatieven. De oudste werktuigen, de eerste bewoning van een gebied, de 100e LBK boerderij in Elsloo, de grootste dissel, de kleinste microliet en ga zo maar door. De echte informatie zit vaak veeleer verscholen in de normale vondsten, in de noeste patronen die door veelvuldig graven, analyseren en documenteren tevoorschijn komen, die op het eerste gezicht lang niet altijd spraakmakend lijken en waar vaak bloed, zweet en tranen aan ten grondslag liggen. Zo ook afgelopen week. In de regenachtige nazomer ontbrak nogal eens de reden naar buiten te trekken en in het kader van het Odyssee project verschansten Ivo en ik ons dan ook enkele dagen in de bieb van het RMO om daar op zoek te gaan naar documentatie en correspondentie over de opgravingen die het team onderzoekt. Trouw aan deze bijdrage zal ik dan ook niet ingaan op de informatie die we gewonnen hebben, op de schetsen die hopelijk wat licht in de duisternis werpen, of op de verwikkelingen tussen RMO, correspondenten, regionale notabelen, opgravers, verplaatste vondsten, bovenmoerdijkse arrogantie en provincialisme, maar op een van de superlatieven, die, onder een roestig paperclipje van inmiddels zo een 85 jaar oud aan een brief zat gehecht.

De brief betreft er een van RMO correspondent en rijksarchivaris dr. Goossens aan zijn goede vriend directeur Holwerda van het RMO, gedateerd 18 maart 1926. ‘Ik was precies van plan U heden te schrijven, toen ik Uw brief ontving. Alles gaat wel…’ Hij vervolgt met te melden dat zijn opgravingen in het Romeinse castellum en de pandtuin van de O.L. vrouwenkerk (te Maastricht?) niet ideaal verliepen, onder meer door de haast die geboden was omdat er bloemperken zouden worden aangelegd. De inderhaast aangelegde sleuf stortte ook nog eens een keer in. Beter nieuws is er voor de op handen zijnde opgravingscampagne, waarbij het RMO en het Limburgs (geschied en oudheidkundig) genootschap elkaar al een tijdje financieel en opgravingstechnisch vinden. Goossens nodigt Holwerda uit: ‘Wat Belvédere betreft, voor het regelen van het onderzoek aldaar zult u zelf eens moeten overkomen. Dat was trouwens ook uw plan meen ik? Het terrein is uitgestrekt en de vondsten zijn zoo verschillend dat U persoonlijk vantevoren moet gezien hebben om een “plan de campagne” in elkaar te zetten.’ Hij vervolgt met: ‘Ik zend u hierbij een foto, die ik als proef had laten maken van een der typische scherven en van 3 krabbers uit het gat dat ik in Oct. j.l. ontgroef.’

Daar, tussen de regels door staat het dan, een superlatief van de bovenste plank, verwijzend naar een kleine vierkante opname onder voornoemde paperclip. Vooralsnog staan wij ons er in het project op voor de oudste foto van Bandkeramisch aardewerk gevonden te hebben (en meteen de oudste foto van drie Bandkeramische krabbers). Op de achterkant van de foto staat Maastricht-Belvédere, Oct. 1925. Misschien niet zo een belangrijke, maar het is wel de oudste….tenminste, voorlopig……

Loopgraaf

De eerste bandkeramieker

Een heet hangijzer voor het Nederlands bandkeramisch onderzoek is wie nu de eer krijgt als eerste bandkeramische resten gevonden, of beter gezegd herkend, te hebben. Je zou zeggen dat dit redelijk eenvoudig is maar dat blijkt anders te liggen.
In België was het Omalien (zoals de LBK toen werd genoemd) al eerder herkend. Het werd ook gevonden in Noord-Frankrijk maar meer toevallig zoals bijvoorbeeld bij het uitgraven van loopgraven bij het Franse Vimy op de hellingen van het dal van de Leije (omgeving Lens) zoals beschreven werd in Le Feu door Henry Barbusse. In deze socialistische aanklacht tegen de Eerste Wereldoorlog, gebaseerd op zijn eigen dagboek, wordt beschreven hoe tijdens het uitdiepen van loopgraven naast de skeletten van gevallen onder de aarde bedolven kameraden ook prehistorische stenen bijlen, vermoedelijk bandkeramische dissels, werden gevonden. Saillant detail is dat het werktuig blijkbaar beter in de hand ligt dan de reguliere legerbijl. Jammer is dan weer wel dat de vinder in het boek, de Parijse barman Tulacque, zich daarna voordoet als een aapmens. Dat is toch niet echt een treffende beschrijving voor een bandkeramische boer wiens vakkennis betreffende het maken van bijlen net geprezen werd.

De eerste vermelde Nederlandse bandkeramische vondst (hoewel niet als zodanig herkend) komt waarschijnlijk op naam van Casimir Ubaghs uit Maastricht (gepubliceerd in Sprenger 1948). Ook Ubaghs had dissels in de omgeving van Maastricht gevonden maar kon ze niet geheel in tijd of naar cultuur niet plaatsen. Hij hoopte vooral op meeroevernederzettingen aan de Maas bestaande uit prachtig geconserveerde paaldorpen zoals deze begin 19e eeuw in de Zwitserse meren zijn aangetroffen. Hoewel hij de prehistorische ouderdom van de dissel erkende meent hij desondanks -of misschien wel dankzij- dat hij aan de voet van de Caberg aan de oever van de Maas, ook een meer (of beter gezegd Maas-)oevernederzetting heeft gevonden (Ubaghs, C. 1884:Publications de la Société Historique et Archéologique dans le Duché de Limbourg, X X I (nouvelle série Tome I), 1-92). Helaas resteert weinig van de vondsten die Ubaghs destijds heeft gedaan zodat deze niet verder in context zijn te plaatsen.
Het Canadian National Vimy Memorial is een oorlogsmonument in Frankrijk ter nagedachtenis van de Canadese soldaten die sneuvelden tijdens de Eerste Wereldoorlog. Het monument staat in de gemeente Givenchy-en-Gohelle op een herdenkingssite op de heuvelrug van Vimy (Vimy Ridge). De omliggende herdenkingssite is een bewaard slagveld uit de Slag van Vimy.

foto: Het Vimy Memorial in het door oorlogsgeweld gepokte landschap

 

We moeten dus op zoek naar de persoon die bandkeramische vondsten of sporen, de destijds bekende hutkommen of zoals in België genoemd: de fonds des cabanes van de Omaliencultuur, als zodanig herkende. Bij het doorspitten van de archieven van het RMO komen een aantal onderzoekers van het eerste uur in aanmerking voor de ereprijs: Holwerda, conservator en directeur van het Rijksmuseum voor Oudheden uit Leiden die al in 1905 voorspeld dat het niet lang zal duren totdat vondsten uit het Omalien in Nederland zouden worden gevonden, de huisarts/amateurarcheoloog Beckers uit Beek die zich begin jaren ’20 ontpopt als een ware pionier voor de Limburgse archeologie, Remouchamps, assistent van Holwerda, de priester-(rijks)archivaris Goossens uit Maastricht en pastoor Kengen uit Caberg. Genoemde personen blijken uiteindelijk allen een belangrijke rol te spelen in het verhaal. In 1924 werden namelijk in Stein in het huidige haventerrein opgravingen uitgevoerd door Remouchamps en dr Beckers. Daar was een Romeins praetorium of gasthuis gelegen alsmede een “germaansche burcht” die door beide heren werd onderzocht. Hoewel de aandacht voornamelijk uitging naar de Romeinse vondsten, waren er ook enkele bijzondere bijvangsten. Op enige afstand van het gebouw bevonden zich naast ijzertijdsporen ook enkele hutkommen waarin overduidelijk bandkeramische resten zaten (voor de problematiek daarbij zie Een gedateerd Trio). Aangezien de opgravingscampagne over enkele jaren werd uitgesmeerd en Remouchamps helaas voortijdig overleed, konden pas in 1929 de resultaten van het onderzoek worden gepubliceerd.

Het lijkt er op dat in Stein dus de eerste bandkeramische resten werden ontdekt door Remouchamps en/of dr Beckers, wilde het toeval niet dat op de Caberg in Maastricht een pastoor met een grote tegenwoordigheid van geest goed over zijn schaapjes waakte. In de groeven t.b.v. de baksteenindustrie werd bij het weggraven van de löss opmerkelijke prehistorische vondsten gedaan. Deze vondsten bestaande uit aardewerk en vuurstenen werktuigen werden door de verbaasde directeur ir. Marres van de groeve aan de pastoor getoond. Hoewel niet precies wetende wat hem getoond werd, besefte de pastoor dat de vondsten niet van alledag waren en zeer waarschijnlijk prehistorisch van ouderdom. Hij nam de vondsten mee en liet ze aan dr. Goossens zien die meer verstand van oudheden had en waar hij wel vaker oudheden naar toe had gebracht. Waarschijnlijk in samenspraak met Holwerda, met wie Goossens een zeer goede relatie had, werd een aantal vondsten herkend als zijnde bandkeramiek. In een klein artikeltje in het tijdschrift van het Limburgs Geschied- en Oudheidkundig Genootschap wordt in 1925 ruchtbaarheid aan de vondst gegeven.

Aan Goossens komt dus uiteindelijk de eer toe als eerste in Nederland de ‘bandkeramiekcultuur’ herkend en in druk vermeld te hebben (Goossens, J.W.H. 1925, Berichten [s.v. Maastricht], De Maasgouw 45, 70). Op de melding van Kengen en Goossens volgt al in 1925 een opgraving door het Rijksmuseum van Oudheden onder leiding van Holwerda door Remouchamps en Beckers. De opgravingen liepen met onderbrekingen tot in 1934. Grappig genoeg bevinden deze opgravingen zich precies boven op het Maasterras waar aan de oever van de Maas Ubaghs nog de eerste meeroevernederzetting herkend meende te hebben.

De ramp van de methodiek

Een dergelijk project kan niet opgestart worden zonder ergens rekening te houden met potentiële problemen die kunnen voorkomen. Problemen kunnen van verschillende aard zijn: zo kan het gebeuren dat iemand ziek wordt, dat er vondsten kwijt raken (gelukkig nog niet gebeurd) of überhaupt niet aanwezig zijn, etc. Om toch een beetje onze frustratie te kunnen uiten, blijkt een blog ideaal te zijn. Vandaar dat we hieronder onze Odyssee frustratie top 10 presenteren. Gewoon om even lekker stoom af te blazen.

  1. Verschillende wijze van Vondstadministratie
  2. Verschillende wijze van Sporenadministratie
  3. Opgravingswijzen
  4. Geregistreerde maar niet aanwezige vondsten
  5. Verspreide collecties
  6. Vermiste of geen dagrapporten
  7. Vermiste of geen coupetekeningen
  8. geschetste vlaktekeningen
  9. Instellingen marges nieuwe vondstkaartjes (*zucht)
  10. Geheel ontbreken van enige context informatie (*aargh)

Hoewel het lijstje nogal voor zichzelf sprekend is, zal ik toch trachten een paar sprekende voorbeelden te geven.

Laat ik dan als voorbeeld de vondstadministratie nemen. Vooropgesteld moet worden dat ook al bij de oude onderzoeken de edele regels van het opgraven goed gekend waren. We geven hier dan ook geen waardeoordeel over welk onderzoek dan ook. Maar hoewel in principe de (bandkeramische) vondst het meest belangrijkst (lees: museabel) was, werd ook aandacht geschonken aan de context/spoor. Het wordt echter spannend als de context of alleen al de berichtgeving daarvan destijds eigenlijk nog belangrijker wordt geacht dan de vondst of het spoor. Zo ook bij de eerste meldingen van bandkeramische hutkommen (fonds des cabanes) in Nederlandse contreien. Het gegeven dat ze hier gevonden werden, was al van een dergelijke nieuwswaarde dat uitgebreid onderzoek niet echt plaatsvond. Zo kon makkelijk gebeuren dat de registratie van vondsten die bij Hutkom 1 werden gedaan belangrijker was dan het registreren waar Hutkom 1 nu precies was. Zo zijn van het onderzoek van Remouchamps in Stein in 1926 en te Elsloo in 1928 wel sporenoverzichten bekend maar is het vaker moeilijk op te maken welke sporen aan welke vondsten zijn toe te schrijven. Zo wordt een Odyssee een heuse speurtocht.

We zijn trouwens ook nog steeds op zoek naar de vondstkaartjes van Echt-Annendaal (nr. 1-374) en de coupetekeningen van Maastricht-Klinkers……..