Tag Archives: Goossens

huis-beckers

“Hartelijke groeten, ook aan mevrouw”

Het odyssee onderzoek behelst niet alleen het opnieuw bekijken en beschrijven van de vele vondsten. We proberen ook de vondsten in hun context te zetten. Dat is voor de meeste opgravingen niet al te moeilijk maar vooral voor de ‘oudjes’ (opgravingen van voor 1940) blijkt dat wat moeilijker te zijn zoals we hier al eerder berichten. Omdat uitgebreide dagrapporten meestal ontbreken, zijn we afhankelijk van de briefwisselingen tussen diverse personen waar verslag wordt gedaan van de werkzaamheden. Het briefarchief van het RMO bood ons toegang tot de vele brieven die geschreven werden. Het gaat daarbij om de correspondentie tussen bepaalde hoofdpersonen in dit verhaal, te weten Holwerda (directeur RMO), Remouchamps (assistent Holwerda), Bursch (assistent Holwerda), Goossens (rijksarchivaris te Maastricht), Beckers (huisarts en amateur archeoloog), Nijst (assistent en later opvolger Goossens) en Kengen (pastoor en amateur archeoloog).
Op basis van de brieven kunnen we ons een beeld vormen van hoe destijds gegraven werd, hoe de vondsten werden verdeeld over de verschillende collecties en soms waar ze gevonden werden. Het geeft ons ook een kijkje hoe de opgravingen uitgevoerd werden. Meestal werd als bekend was waar en wanneer er door het RMO opgegraven werd, lokaal een aantal werklieden ingehuurd door ofwel Goossens, Nijst, Beckers of zelfs hun voorgraver Jansen. De assistenten van Holwerda (Remouchamps en zijn opvolger Bursch) reisden samen met voorgravers als Bosch af naar het zuiden om de opgravingen op te starten. Saillant detail is dat de gravers ongeveer 3 gulden per dag kregen (55ct/u), hetzelfde kostte ongeveer het hotel waar Holwerda in verbleef als hij ter plekke overnachtte. Remouchamps en Bursch berichten meestal per briefkaart van de vorderingen in het veld en bediscussiëren diverse theorieën zoals het gelijktijdig voorkomen van diverse cultuurperioden op dezelfde locatie (waar ik ook al eerder over berichtte zoals de trouwe lezertjes zullen weten). In de korte briefwisseling tussen Beckers en Holwerda is te zien dat Beckers prachtige briefkaarten heeft waarop zijn huis is afgebeeld. Goossens bespreekt met Holwerda de grote lijnen waarbij eens te meer duidelijk is hoe belangrijk Goossens is voor het onderzoek van het RMO in het zuiden. Hetzelfde zal voor Nijst gelden hoewel deze relatie veel minder amicaal was dan die met Goossens. Met Beckers wordt vooral gecorrespondeerd over de opgraving van de villa in Stein en over een gezamenlijk artikel voor de Oudheidkundige mededelingen. En later over de hoeveelheid afdrukken die eenieder denkt te krijgen of moeten geven. Het is vooral Kengen die meer uitgebreide beschrijvingen geeft van zijn waarnemingen op de Caberg. Helaas zijn vooral kaarten afwezig waardoor het moeilijk is om alles weer op de juiste plaats te kunnen plaatsen. Wel zijn vele schetsjes aanwezig die een tipje van de sluier doen oplichten. Het meest is Kengen “bezeten” van het grachtenstelsel. Hij komt er veel tegen maar waarschijnlijk verward hij ook prehistorische grachten met greppels die gegraven zijn bij de diverse belegeringen van Maastricht. Verscheidene hebben al geprobeerd deze puzzel op te lossen (Disch, Louwe Kooijmans en Thanos) en ook wij menen weer een duit in het zakje te mogen doen. We weten nu al dat we het niet gaan oplossen maar zijn wel weer een grote stap verder gekomen!

huis-beckershuis-beckers_achterkant-kaart

 

 

 

Hoewel het in de brieven in eerste instantie draait om de opgravingen komen we echter ook wat te weten over meer persoonlijke zaken zoals gezondheidstoestand, onderlinge wrevel, roddels en achterklap. Zo is duidelijk in het briefarchief te zien hoe de relatie tussen Holwerda en Beckers bekoeld. Komen we van Goossens te weten dat hij een belabberde voordracht geeft en dat het handschrift van Bursch nagenoeg onleesbaar is. Van Kengen wordt eens te meer duidelijk dat hij een voornamelijk agrarische parochie bestierd (die van Oud-Caberg) en bij elke kaart of brief wordt dan ook gewag gemaakt van het weer en de gevolgen daarvan voor gewassen.

Naast alle archeologische en politieke overpeinzingen alsmede persoonlijke intriges,vetes en meer, valt juist de hoffelijkheid in het briefverkeer op. In deze eeuw van hufterigheid is het een verademing om de welgemeende interesse in elkaars persoonlijke welstand te lezen. Bijna elke kaart of brief begint en eindigt met de vraag naar de gezondheid van de geadresseerde (“…van huis tot huis…”) en eindigt met de hartelijke groeten aan mevrouw, behalve bij de geestelijken natuurlijk. En er is nogal wat aan de gang. Velen weten van het vroegtijdige heengaan van Remouchamps. Voor Holwerda was het naast een persoonlijk gemis ook een probleem door het wegvallen van een gewaardeerde assistent. Hij zat midden in een fantastische opgraving op de Caberg en de relatie met Beckers was al dusdanig aan het bekoelen dat hij daarmee niet verder wilde of kon. Pastoor Kengen had in 1928 een vervelende infectie gehad aan zijn been waardoor hij lange tijd geen waarnemingen kon doen bij de groeven op de Caberg. Toen hij weer ter been was bleef hij tot aan zijn dood in 1936 getrouw melden vanaf de Caberg. Holwerda’s vrouw stierf in al in 1932 toen de opgravingen in volle gang waren. Eind februari dat jaar beëindigde Goossens dan ook voor de laatste maal zijn brief met “hartelijke groeten, ook aan mevrouw”, iets wat hij daarvoor altijd trouw pleegde te doen. Twee jaar (1934) later stierf ook Goossens en daarmee ook de persoon die als eerste het belang van die allereerste bandkeramische vondsten van pastoor Kengen inzag en herkende. De nalatenschap van Goossens zorgde ervoor dat Nijst zowat direct overspannen raakte.

Met zo’n soap is het ook niet verwonderlijk dat de resultaten van de Caberg nog nooit uitvoerig zijn gepubliceerd. Hoewel we tijdens onze Odyssee ook af en toe het niveau van een soap weten te benaderen, hopen wij echter onze klus te klaren. De gegevens zullen worden gepubliceerd….. en de soap die kunt u bijhouden op deze website.

 

 

Fotoarchief Kentgens

Oude opgravingsfotos gevonden

Bij de start van de Odyssee heeft op deze blog al een oproep gestaan om indien u oude opgravingsfoto’s van bandkeramisch onderzoek in uw bezit heeft of weet waar ik ze kan vinden, deze aan ons door te geven.

Hier is gelukkig door een aantal mensen al gehoor aan gegeven en langzamerhand wordt de collectie groter. Binnenkort willen we dan ook deze foto’s standaard als diavoorstelling op onze site afdraaien zodat deze mooie platen niet voor het grotere publiek verborgen blijven.

Afgelopen zaterdag werd ik wederom gewezen op een nieuwe bron: het fotoarchief van dhr. Kentgens aanwezig in het digitale stads(beeld)archief van de gemeente Sittard-Geleen. Binnen de collectie een aantal mooie glasplaten van foto’s die gemaakt zijn in opdracht van of voor dr. Beckers waarover we al meerdere keren hebben geschreven. In het vooroorlogse archeologische strijdperk was hij (later samen met zijn zoon) één van de pionieren die de Limburgse archeologie op de kaart heeft gezet. Eén foto is al eerder op de site geplaatst maar we willen een andere mooie foto niet onthouden. Waarschijnlijk ook gemaakt tijdens opgravingen in de jaren 20 in het thans havengebied van Stein.zoon) één van de pionieren die de Limburgse archeologie op de kaart heeft gezet. Eén foto is al eerder op de site geplaatst maar we willen u een andere mooie foto niet onthouden. Waarschijnlijk ook gemaakt

Voor de liefhebbers: op de website van het RMO zijn eveneens foto’s van objecten te zien. Tikt u gerust Modderman, Holwerda, Bursch of Remouchamps in en een zee van de meest prachtige foto’s komen binnen handbereik.

 

De eerste, de oudste, de grootste, etc.

Archeologen zijn altijd op zoek naar superlatieven. De oudste werktuigen, de eerste bewoning van een gebied, de 100e LBK boerderij in Elsloo, de grootste dissel, de kleinste microliet en ga zo maar door. De echte informatie zit vaak veeleer verscholen in de normale vondsten, in de noeste patronen die door veelvuldig graven, analyseren en documenteren tevoorschijn komen, die op het eerste gezicht lang niet altijd spraakmakend lijken en waar vaak bloed, zweet en tranen aan ten grondslag liggen. Zo ook afgelopen week. In de regenachtige nazomer ontbrak nogal eens de reden naar buiten te trekken en in het kader van het Odyssee project verschansten Ivo en ik ons dan ook enkele dagen in de bieb van het RMO om daar op zoek te gaan naar documentatie en correspondentie over de opgravingen die het team onderzoekt. Trouw aan deze bijdrage zal ik dan ook niet ingaan op de informatie die we gewonnen hebben, op de schetsen die hopelijk wat licht in de duisternis werpen, of op de verwikkelingen tussen RMO, correspondenten, regionale notabelen, opgravers, verplaatste vondsten, bovenmoerdijkse arrogantie en provincialisme, maar op een van de superlatieven, die, onder een roestig paperclipje van inmiddels zo een 85 jaar oud aan een brief zat gehecht.

De brief betreft er een van RMO correspondent en rijksarchivaris dr. Goossens aan zijn goede vriend directeur Holwerda van het RMO, gedateerd 18 maart 1926. ‘Ik was precies van plan U heden te schrijven, toen ik Uw brief ontving. Alles gaat wel…’ Hij vervolgt met te melden dat zijn opgravingen in het Romeinse castellum en de pandtuin van de O.L. vrouwenkerk (te Maastricht?) niet ideaal verliepen, onder meer door de haast die geboden was omdat er bloemperken zouden worden aangelegd. De inderhaast aangelegde sleuf stortte ook nog eens een keer in. Beter nieuws is er voor de op handen zijnde opgravingscampagne, waarbij het RMO en het Limburgs (geschied en oudheidkundig) genootschap elkaar al een tijdje financieel en opgravingstechnisch vinden. Goossens nodigt Holwerda uit: ‘Wat Belvédere betreft, voor het regelen van het onderzoek aldaar zult u zelf eens moeten overkomen. Dat was trouwens ook uw plan meen ik? Het terrein is uitgestrekt en de vondsten zijn zoo verschillend dat U persoonlijk vantevoren moet gezien hebben om een “plan de campagne” in elkaar te zetten.’ Hij vervolgt met: ‘Ik zend u hierbij een foto, die ik als proef had laten maken van een der typische scherven en van 3 krabbers uit het gat dat ik in Oct. j.l. ontgroef.’

Daar, tussen de regels door staat het dan, een superlatief van de bovenste plank, verwijzend naar een kleine vierkante opname onder voornoemde paperclip. Vooralsnog staan wij ons er in het project op voor de oudste foto van Bandkeramisch aardewerk gevonden te hebben (en meteen de oudste foto van drie Bandkeramische krabbers). Op de achterkant van de foto staat Maastricht-Belvédere, Oct. 1925. Misschien niet zo een belangrijke, maar het is wel de oudste….tenminste, voorlopig……

Loopgraaf

De eerste bandkeramieker

Een heet hangijzer voor het Nederlands bandkeramisch onderzoek is wie nu de eer krijgt als eerste bandkeramische resten gevonden, of beter gezegd herkend, te hebben. Je zou zeggen dat dit redelijk eenvoudig is maar dat blijkt anders te liggen.
In België was het Omalien (zoals de LBK toen werd genoemd) al eerder herkend. Het werd ook gevonden in Noord-Frankrijk maar meer toevallig zoals bijvoorbeeld bij het uitgraven van loopgraven bij het Franse Vimy op de hellingen van het dal van de Leije (omgeving Lens) zoals beschreven werd in Le Feu door Henry Barbusse. In deze socialistische aanklacht tegen de Eerste Wereldoorlog, gebaseerd op zijn eigen dagboek, wordt beschreven hoe tijdens het uitdiepen van loopgraven naast de skeletten van gevallen onder de aarde bedolven kameraden ook prehistorische stenen bijlen, vermoedelijk bandkeramische dissels, werden gevonden. Saillant detail is dat het werktuig blijkbaar beter in de hand ligt dan de reguliere legerbijl. Jammer is dan weer wel dat de vinder in het boek, de Parijse barman Tulacque, zich daarna voordoet als een aapmens. Dat is toch niet echt een treffende beschrijving voor een bandkeramische boer wiens vakkennis betreffende het maken van bijlen net geprezen werd.

De eerste vermelde Nederlandse bandkeramische vondst (hoewel niet als zodanig herkend) komt waarschijnlijk op naam van Casimir Ubaghs uit Maastricht (gepubliceerd in Sprenger 1948). Ook Ubaghs had dissels in de omgeving van Maastricht gevonden maar kon ze niet geheel in tijd of naar cultuur niet plaatsen. Hij hoopte vooral op meeroevernederzettingen aan de Maas bestaande uit prachtig geconserveerde paaldorpen zoals deze begin 19e eeuw in de Zwitserse meren zijn aangetroffen. Hoewel hij de prehistorische ouderdom van de dissel erkende meent hij desondanks -of misschien wel dankzij- dat hij aan de voet van de Caberg aan de oever van de Maas, ook een meer (of beter gezegd Maas-)oevernederzetting heeft gevonden (Ubaghs, C. 1884:Publications de la Société Historique et Archéologique dans le Duché de Limbourg, X X I (nouvelle série Tome I), 1-92). Helaas resteert weinig van de vondsten die Ubaghs destijds heeft gedaan zodat deze niet verder in context zijn te plaatsen.
Het Canadian National Vimy Memorial is een oorlogsmonument in Frankrijk ter nagedachtenis van de Canadese soldaten die sneuvelden tijdens de Eerste Wereldoorlog. Het monument staat in de gemeente Givenchy-en-Gohelle op een herdenkingssite op de heuvelrug van Vimy (Vimy Ridge). De omliggende herdenkingssite is een bewaard slagveld uit de Slag van Vimy.

foto: Het Vimy Memorial in het door oorlogsgeweld gepokte landschap

 

We moeten dus op zoek naar de persoon die bandkeramische vondsten of sporen, de destijds bekende hutkommen of zoals in België genoemd: de fonds des cabanes van de Omaliencultuur, als zodanig herkende. Bij het doorspitten van de archieven van het RMO komen een aantal onderzoekers van het eerste uur in aanmerking voor de ereprijs: Holwerda, conservator en directeur van het Rijksmuseum voor Oudheden uit Leiden die al in 1905 voorspeld dat het niet lang zal duren totdat vondsten uit het Omalien in Nederland zouden worden gevonden, de huisarts/amateurarcheoloog Beckers uit Beek die zich begin jaren ’20 ontpopt als een ware pionier voor de Limburgse archeologie, Remouchamps, assistent van Holwerda, de priester-(rijks)archivaris Goossens uit Maastricht en pastoor Kengen uit Caberg. Genoemde personen blijken uiteindelijk allen een belangrijke rol te spelen in het verhaal. In 1924 werden namelijk in Stein in het huidige haventerrein opgravingen uitgevoerd door Remouchamps en dr Beckers. Daar was een Romeins praetorium of gasthuis gelegen alsmede een “germaansche burcht” die door beide heren werd onderzocht. Hoewel de aandacht voornamelijk uitging naar de Romeinse vondsten, waren er ook enkele bijzondere bijvangsten. Op enige afstand van het gebouw bevonden zich naast ijzertijdsporen ook enkele hutkommen waarin overduidelijk bandkeramische resten zaten (voor de problematiek daarbij zie Een gedateerd Trio). Aangezien de opgravingscampagne over enkele jaren werd uitgesmeerd en Remouchamps helaas voortijdig overleed, konden pas in 1929 de resultaten van het onderzoek worden gepubliceerd.

Het lijkt er op dat in Stein dus de eerste bandkeramische resten werden ontdekt door Remouchamps en/of dr Beckers, wilde het toeval niet dat op de Caberg in Maastricht een pastoor met een grote tegenwoordigheid van geest goed over zijn schaapjes waakte. In de groeven t.b.v. de baksteenindustrie werd bij het weggraven van de löss opmerkelijke prehistorische vondsten gedaan. Deze vondsten bestaande uit aardewerk en vuurstenen werktuigen werden door de verbaasde directeur ir. Marres van de groeve aan de pastoor getoond. Hoewel niet precies wetende wat hem getoond werd, besefte de pastoor dat de vondsten niet van alledag waren en zeer waarschijnlijk prehistorisch van ouderdom. Hij nam de vondsten mee en liet ze aan dr. Goossens zien die meer verstand van oudheden had en waar hij wel vaker oudheden naar toe had gebracht. Waarschijnlijk in samenspraak met Holwerda, met wie Goossens een zeer goede relatie had, werd een aantal vondsten herkend als zijnde bandkeramiek. In een klein artikeltje in het tijdschrift van het Limburgs Geschied- en Oudheidkundig Genootschap wordt in 1925 ruchtbaarheid aan de vondst gegeven.

Aan Goossens komt dus uiteindelijk de eer toe als eerste in Nederland de ‘bandkeramiekcultuur’ herkend en in druk vermeld te hebben (Goossens, J.W.H. 1925, Berichten [s.v. Maastricht], De Maasgouw 45, 70). Op de melding van Kengen en Goossens volgt al in 1925 een opgraving door het Rijksmuseum van Oudheden onder leiding van Holwerda door Remouchamps en Beckers. De opgravingen liepen met onderbrekingen tot in 1934. Grappig genoeg bevinden deze opgravingen zich precies boven op het Maasterras waar aan de oever van de Maas Ubaghs nog de eerste meeroevernederzetting herkend meende te hebben.