De XRF-metingen van onze collega’s van de RCE bleken een hoop vragen op te roepen en te duiden op een vrij dynamische samenleving, die allesbehalve rigide in elkaar zat. Nu is die kennis niet nieuw, Modderman schreef in 1988 al een artikel getiteld ‘Diversity in Uniformity’ dat benadrukt dat de LBK minder eenzijdig, uniform en conservatief is dan we denken. Anderzijds is het ook zo dat de LBK ten opzichte van andere (latere) neolithische groepen nog steeds ook een toonbeeld van herkenbaarheid zijn en dat er hoe dan ook sprake is van een samenleving waarin toch een heel aantal zaken (huizenbouw, aardewerkversiering, begrafenisrituelen) tenminste deels aan strakke culturele mores verbonden lijken (zie ook Sommer 2001). Die herkenbaarheid van de LBK heeft in het verleden wel eens rare vormen aangenomen. Zo liep ik een paar weken geleden in de Slegte aan tegen een dun boekje getiteld ‘Die ältere Kupfer-Steinzeit Palästinas und der bandkeramische Kulturkreis’ van de hand van Dr. Dr. Anton Jirku, van de universiteit Bonn. Het boekje is in 1941 uitgegeven in Berlijn. Het is duidelijk dat je in zo een uitgave met die titel niet de meest gangbare interpretatie van het verleden gaat vinden. Opvallend is dat het boekje voor het grootste deel bestaat uit een deel met afbeeldingen, waarin steeds links en rechts vaatwerk en andere artefacten uit de Levant, voornamelijk Teleitāt Ghassūl in Palestina, maar bijvoorbeeld ook Byblos in Syrië worden vergeleken met bandkeramisch aardewerk in de meest brede zin. De auteur groepeert onder LBK aardewerk ook tell aardewerk afkomstig uit Zuid-Europa (Vinča en andere vindplaatsen). De redenen voor deze merkwaardige combinatie komen in het kortere eerste deel ter sprake. Het doel van Dr. Dr. Jirku is namelijk aan te tonen dat er tussen de Kupfer-Steinzeit in Palestina en de bandkeramische Kulturkreis in Zuid-Europa nauwe banden bestaan. Daartoe onderscheid hij drie mogelijkheden, waarvan de eerste twee meteen worden verworpen. De eerste theorie gaat uit van het achterblijven van eenzelfde paleolithische bevolking in Zuid-Europa en Palestina, ‘aus deren rassischer Verlagung heraus sich ein solcher Paralleismus deuten liesse’. De twee de mogelijkheid betreft migratie vanuit Palestina naar Zuid-Europa, maar daarvoor ontbreken volgens de auteur alle historische aanwijzingen. De derde en uitverkoren these luidt: ‘So bleibt nur noch die Möglichkeit übrig, das starke, dem bandkeramischen Kreise angehörende Volksteile ihren Weg auch nach Palästina gefunden haben. Dies ist vornherein um so wahrscheinlicher, als solche Wanderungen der Bandkeramiker nach anderen Teilen des Mittelmeeres schon nachgewiesen. Vervolgens stelt Jirku dat, indien het lukt zijn derde these te bewijzen er voldoende aanwijzingen zijn om reeds in het 4e millenium v. Chr. (NB. Dit zijn de dateringen uit de jaren dertig, dus voor (gecorrigeerde) radiokoolstof dateringen) een niet-semitische migratie naar Palestina en Syrië aan te tonen en om, op basis daarvan en in tegenstelling tot Buttler en Childe, de vroegste wortels van de LBK zo een duizend jaar eerder te plaatsen. De erop volgende bewijsvoering geschiedt vooral visueel en wordt onderbouwd door teksten als ‘ein besonders schönen Parallelismus’ en ‘Irgenwelche Zusammenhänge lassen sich hier wohl nicht leugnen’ en ondersteund de these ‘dass die ältere Kupfer-Steinzeit Palästinas befruchtet wurde von einem Volksteil, der sich von der ältesten bandkeramischer Kultur loslöste und bis nach Palästina wanderte …Erstmals wäre damit erwiesen, dass Palästina schon am Beginn des 4. Jahrtausends v. Chr. Von nichtsemitischen Einwandern besiedelt wurde, deren Blut dort nicht mehr verloren ging.’ Daarnaast wordt daarmee ook de LBK met zo een duizend jaar vervroegd…

Het is er mij hier niet om te doen een karikatuur te schetsen van het soort onderzoek dat er voor en tijdens de oorlogsjaren door een deel van de Duitse archeologen in Nazi-Duitsland (en daarbuiten) werd verricht. Het moge duidelijk zijn dat de opvattingen en ideeën van de bij deze ideologie betrokken onderzoekers al vrij snel ook weer gedateerd waren (zie voor een goed perspectief op de Nederlandse archeologie in deze periode het proefschrift van Martijn Eickhoff). Mij was echter nog niet eerder een case-study bekend die zo duidelijk de bandkeramiek als onderwerp neemt. Opvallend vind ik ook de mate waarin de argumentatie er ‘aan de haren bij wordt gesleept’, iets dat een onderzoeker in die tijd toch ook niet helemaal serieus kon nemen. Afgezien van de visuele vergelijking in het beeldgedeelte van het boek, waarbij de Parallelismus soms toch wel erg basaal is (een komvorm, platte bodem, knobbeloor, of zelfs een maalsteen, komen op nog wel een paar plekken en in nog wel een paar culturen op min of meer dezelfde wijze voor) wordt en passant ook in een voetnoot genoemd dat er gebruik is gemaakt van juist de bandkeramische potten die nog geen spiral-mäander versiering vertoonden. Dit is gebaseerd op een vergelijking met vindplaatsen van de Vinča cultuur, zoals die van (Szomos Ujvar) in Roemenië, waar een laag met onversierde keramiek voorkwam onder een laag met versierd aardewerk. Jirku (pp.16) geeft daarbij wel aan dat hij het aan de prehistorici van Europa overlaat daar verdere conclusies uit te rekken. Een korte zoektocht op internet leverde weinig informatie over Dr.Dr. Jirku op, maar hij lijkt vooral te associëren te zijn met de archeologie van de Levant en de bijbel. Vooralsnog ben ik in de bandkeramische literatuur (wellicht niet toevallig) nog geen verwijzingen naar Dr.Dr. Jirku tegengekomen. Desalniettemin blijft het een vreemd voorbeeld van de manier waarop archeologie en in dit geval de LBK gebruikt wordt om politieke en nationalistische ideeën voor het voetlicht te brengen. In het geval van Jirku’s Parallelismus wellicht op weinig overtuigende wijze, maar in andere gevallen helaas veel sluipender.

Eickhoff, M. 2003. De oorsprong van het ‘eigene’. Nederlands vroegste verleden, archeologie en nationaal-socialisme, Boom, Amsterdam.

Jirku, A. (1941). Die ältere Kupfer-Steinzeit Palästinas und der bandkeramische Kulturkreis’, Walter de Gruyter & Co, Berlijn.

Modderman, P. J. R. (1988). “The Linear Pottery Culture: diversity in uniformity.” Berichten van de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek 38: 63-140.

Sommer, U. (2001). “Hear the instruction of thy father, and forsake not the law of thy mother,’ Change and persistence in the European Early Neolithic.” Journal of Social Archaeology 1(2): 244-270.

Tagged with:
 
Set your Twitter account name in your settings to use the TwitterBar Section.