Tag Archives: Bandkeramiek

20131224-164345.jpg

Opgravingen op de Cannerberg [7]: start van de uitwerking

Reeds een paar maanden geleden is de opgraving op de Cannerberg afgerond. Nu wordt eindelijk de start gemaakt met de uitwerking van alle gegevens die in het veld zijn verzameld. Voor de bandkeramische periode zal de uitwerking zich op een aantal thema’s toespitsen. Ten eerste is dat de fasering van de nederzetting. Hoe lang heeft het bandkeramisch dorpje nu op de Cannerberg bestaan en hoeveel boerderijen hebben er tegelijkertijd gestaan. Om hier een antwoord op te kunnen geven zal in eerste instantie worden begonnen met het beschrijven en analyseren van al het bandkeramische aardewerk. Daarbij wordt vooral gelet op de versiering van het aardewerk. De versiering is namelijk een belangrijke indicator voor hoe oud het aardewerk is ten opzichte van elkaar. Een relatieve datering dus. Het uitgangspunt namelijk is dat het oudste aardewerk eenvoudig was versierd en dat deze in de loop der tijd steeds uitbundiger werd. Dat kwam omdat de wijze van versiering van moeder op dochter werd doorgegeven. Doordat de dochter telkens weer een nieuwe versieringsstijl of motief toevoegde ontstond uiteindelijk een patroon van vele motieven uitgevoerd met lijntjes en puntjes. Het aardewerk wordt dan per kuil beschreven on zodoende een relatieve datering van elke kuil die aardewerk heeft bevat te verkrijgen. Als we er van uitgaan dat een aantal kuilen tot een huisplattegrond heeft gehoord, met name de langskuilen die parallel aan het huis zijn gelegen, kunnen we uiteindelijk een datering van de huisplattegrond krijgen. Daarmee komen we gelijk op het tweede thema, namelijk de inrichting van de huisplaats. De huisplattegrond met haar langskuilen zal ongetwijfeld een deel hebben uitgemaakt van de huisplaats. Maar hoe was deze verder ingericht? Door alle kuilen die voldoende aardewerk hebben opgeleverd te dateren kunnen we zien welke kuil tot welke huisplaats mogelijk heeft behoord. Dit is nooit met zekerheid te zeggen maar we kunnen toch tot een redelijke benadering komen. Door goed te kijken naar alle vondsten die in deze kuilen zijn gedaan of beter gezegd al het afval dat in deze kuilen is gegooid, hopen we iets te kunnen zeggen over welke activiteiten op deze huisplaats hebben plaatsgevonden. Heeft er vuursteenbewerking plaatsgevonden, is alleen huishoudelijk afval weggegooid en zijn sommige kuilen misschien voor specifieke doeleinden gebruikt. Stap voor stap wordt het dagelijkse leven daarmee ingevuld. Of op z’n minsten benadering daarvan gegeven. Wat al langzaam duidelijk wordt is dat de nederzetting op de Cannerberg langer in gebruik is geweest dan we aanvankelijk dachten. Niet slechts enkele generaties maar toch gedurende een langere periode. Hoe lang zal nog moeten blijken. We analyseren rustig door!

Het beschrijven en opmeten van het aardewerk samen met Piet van de Velde

20131224-164107.jpg

Ivo van Wijk oreert over de reconstructieplaat van Mikko Kriek, Cannerberg, Centre Céramique Maastricht

LBK weer thuis!

Zoals ook de wet van Malta propageert is het een belangrijke taak voor de archeologie dat de informatie over nieuwe ontdekkingen en vondsten ook gecommuniceerd  wordt naar een breder publiek. Binnen het Odyssee-project zijn we die verplichting ook aangegaan tegenover NWO en dat is uitgemond in onder meer deze website en een kleine tentoonstelling, getiteld ‘de eerste Boeren’ in het Rijksmuseum van Oudheden, waarover eerder al werd bericht. Nu is die communicatie noodzakelijk maar ze blijft toch ook in enige mate abstract omdat het de verslaglegging van een onderzoek en resultaten betreft, van deels nog niet afgerond onderzoek, en buiten de directe context van het gevondene. Vanuit het perspectief van het RMO is dat een van de manco’s, het gemis van een landschappelijke omgeving, waar een verhaal echt thuis hoort. Gelukkig bleef het daar niet bij. Vrij kort na de presentatie meldde zich, onder meer,  het Thermenmuseum in Heerlen in de persoon van conservator Karen Jeneson. Men was erin geïnteresseerd de presentatie over te nemen. Hoewel het zwaartepunt van het Thermenmuseum natuurlijk de Romeinse bewoning van Zuid-Limburg betreft, heeft men geen oogkleppen op en heeft, zeker ook binnen het samenwerkingsprogramma Historisch Goud, de ambitie om de Limburgse archeologie breder in de kijker te spelen. Daarom toog ik eind juni dan ook naar mijn geboorteplaats om samen met Karen de tentoonstelling in te richten.  Hoewel de presentatie voor een belangrijk deel dezelfde is als in Leiden, heeft de tentoonstelling door het ruimtegebruik, de andere vitrines, met andere afmetingen en de aparte plek voor de maquette toch een andere ‘feel’. Sommige stukken zijn beter te zien en je kijkt er op een andere manier naar. In de communicatie naar buiten ligt het accent ook meer op de rol van de LBK in Limburg met als titel: ‘De eerste boeren. Over de bandkeramiek op de Zuid-Limburgse lössgronden’. Opvallend is ook de tekst op de website: ‘Met deze presentatie zijn de schatten van Limburg weer terug op Limburgse bodem!’ Het lijkt me goed dat op te vatten als een positieve vorm van chauvinisme, waarbij het doel is de mix van beheer van archeologische objecten, onderzoek, het maken van tentoonstellingen en het tonen van vondsten en nieuwe ontdekkingen nationaal en regionaal zoveel mogelijk te maximaliseren. De tentoonstelling is in ieder geval nog tot en met 1 juni 2014 in Heerlen te bewonderen en zoals eerder al werd bericht zal in het najaar een lezingenprogramma plaatsvinden. Houd de website van het Thermenmuseum in de gaten: http://www.thermenmuseum.nl/activiteit/de-eerste-boeren-van-nederland.

Tweetal vitrines van "De eerste boeren', Thermenmuseum Heerlen
Tweetal vitrines van “De eerste boeren’, Thermenmuseum Heerlen
Een vitrine met dissels, vuursteen, en een maalsteen 'De eerste boeren' Thermenmuseum Heerlen
Een vitrine met dissels, vuursteen, en een maalsteen ‘De eerste boeren’ Thermenmuseum Heerlen
maquette Elsweiler 'De eerste boeren' Thermenmuseum Heerlen
maquette Elsweiler ‘De eerste boeren’ Thermenmuseum Heerlen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Een ander voorbeeld is de presentatie die onlangs in Maastricht opende naar aanleiding van de opgraving van de bandkeramische nederzetting op de Cannerberg. In samenwerking met Archol en de gemeente Maastricht/Centre Céramique is hier, na gunning van het project, door het Rijksmuseum van Oudheden en Centre Céramique een presentatie gemaakt, getiteld: ‘De eerste Maastrichtenaren waren tóch boeren’ (zie: http://erfgoed.centreceramique.nl/index.php?id=3985). Samen met conservator Wim Dijkman richtte ik daar medio juli de presentatie in.

De mini-expo die nog tot 1 september loopt biedt een eerste blik op de ontdekkingen gedaan op de Cannerberg. Zo komen, (naast een stuk ontdekkingsgeschiedenis, dat begint met de brief van Kengen aan Holwerda en tevens een vitrine met vondsten van ontdekker Hub Philippen), diverse vondsten uit de bandkeramiek, ijzertijd, Romeinse tijd en moderne periode aan bod.

Bijzonder is dat de tentoonstelling slechts enkele weken nadat de laatste schep de grond in was gegaan plaatsvond: de modder zat er soms nog aan. Op die manier konden de mensen uit Maastricht, die al via diverse artikelen en filmpjes op de hoogte van de ontdekkingen waren gehouden meteen een kijkje komen nemen van/bij hún erfgoed. Op die manier merk je dat wat door de archeologen de nederzetting ‘Hoogcanne’ is gedoopt al snel onderdeel van het culturele repertoire van de Maastrichtenaren wordt. Hoewel ik als boer uit Segietere natuurlijk vooral trots was op  de titel, bleek die associatie en ‘het claimen van het verleden’ ook uit de Maastrichtse versie ervan: ‘dus de eerste boeren waren Maastrichtenaren’.

Een mooie kroon op deze Blitztentoonstelling vormt de reconstructietekening die door Mikko Kriek gemaakt is. Doordat een deel van de uitwerking van de gegevens al tijdens het veldwerk plaatsvond was er op het niveau van de nederzetting zelf al heel wat informatie beschikbaar. Aan de hand daarvan en de input van verschillende experts kon een tot de verbeelding sprekende reconstructie van ‘Hoogcanne’ gemaakt worden. Juist dat soort beeldende elementen brengt voor veel mensen het verleden dichterbij.

Uit beide voorbeelden spreekt de waarde van het tonen van cultureel erfgoed in de regio waar het gevonden wordt. In het geval van Heerlen de ambitie om een podium voor Limburgse archeologie te zijn en in het geval van Maastricht door het publiek direct bij recent ontdekt erfgoed te betrekken. De rol van het RMO krijgt in dit soort projecten ook steeds meer gestalte. Uit de plannen voor het nieuwe museumbestel en in de in juni verschenen museumbrief van het ministerie van OCW blijkt dat deze rol ook degene is die van ons in de toekomst wordt verwacht. Het RMO is in die zin een centraal museum of moedermuseum dat niet alleen in huis, maar juist ook regionaal haar collectie en kennis inzet in publiekscommunicatie. Van enkel een instituut worden we wellicht ook meer een netwerk en een merk. De enthousiaste samenwerking met de collega’s in Maastricht en Heerlen, maar ook bv. in Ede afgelopen jaar vormt daar een voorbeeld van. Wellicht hebben we de periode van parochialisme versus Bovenmoerdijkse arrogantie, waarmee Holwerda al kampte nu wel definitief achter ons gelaten.

door Luc Amkreutz

Ivo van Wijk oreert over de reconstructieplaat van Mikko Kriek, Cannerberg, Centre Céramique Maastricht
Ivo van Wijk oreert over de reconstructieplaat van Mikko Kriek, Cannerberg, Centre Céramique Maastricht
Net uit het Veld'Cannerberg Centre Céramique Maastricht
Net uit het Veld’Cannerberg Centre Céramique Maastricht
Overzicht van de tentoonstelling, Cannerberg, Centre Céramique Maastricht
Overzicht van de tentoonstelling, Cannerberg, Centre Céramique Maastricht
Uitzicht vanaf de Cannerberg op het westelijk gelegen middenterras waar de Apostelhoeve is gelegen.

Opgravingen op de Cannerberg [1]: de Cannerberg

Onlangs zijn archeologische opgravingen op de Cannerberg
van start gegaan. Op deze blog wordt in delen verslag gedaan van
deze opgraving. Niet alleen doen we wekelijks verslag van de eerste
resultaten maar houden we u ook op de hoogte van alle
ontwikkelingen rond het archeologisch onderzoek. Dit varieert van
inhoudelijke bijdragen van de onderzoekers maar ook tot bijdragen
van meegravende studenten, amateurarcheologen en vrijwilligers die
over het opgraven zelf berichten. Deze week deel 1 in de serie:
de Cannerberg.
Landschap
Centraal voor het onderzoek en ook centraal in het onderzoeksgebied
is de Cannerberg gelegen. De Cannerberg is veelal in het nieuws
gekomen vanwege het href="http://www.mergelgrotten.com/cannerberg-ruine-van-de-koude-oorlog/">ondergrondse
NAVO hoofdkwartier dat onder de
Cannerberg is gelegen, het prachtige href="http://www.kasteel.nl/etalage/24/">chateau
Neercanne dat aan de oostelijke zijde
tegen de Cannerberg is gebouwd of het
Millenniumbos dat boven op de Cannerberg is
geplant. Maar wat is dit nu voor een heuvel waar het nu allemaal om
draait? De Cannerberg is ontstaan door toedoen van de Maas tijdens
het Cromerien (ongeveer 700.000 jaar geleden). Op de kalkrijke
(mergel) ondergrond dat al veel eerder was gevormd, werd door de
Maas zand en grind afgezet en delen van de kalk afgeschuurd. Dit
wordt ook wel de target="_blank">St. Pietersbergfase genoemd. Doordat
de Maas naar het oosten verplaatste als gevolg van de tektonische
opheffing in de Eifel en Ardennen, bleef de Cannerberg samen met de
Pietersberg als hoogste delen in de wijde omgeving staan. Ter
hoogte van de href="https://maps.google.nl/maps?oe=utf-8&client=firefox-a&ie=UTF-8&q=Apostelhoeve&fb=1&gl=nl&hq=Apostelhoeve&cid=0,0,11067071513585909010&ei=rqh-UY6nH8KhO73RgMgL&ved=0CJcBEPwSMAA"
target="_blank">Apostelhoeve
is een duidelijke
overgang tussen de Cannerberg en het westelijke gebied te zien in
de vorm van een steilrand. Beide bergen worden van elkaar
gescheiden door het Jekerdal. De Jeker stroomde vroeger door een in
de ijstijd gevormd droogdal dat nog niet zo diep was uitgesneden
als nu. Door de tijd heen sleet de sterk meanderende Jeker een
steeds dieper dal uit waardoor tegenwoordig het hoogteverschil
tussen dal en top bijna 50 meter bedraagt. Het maasgrind is hier
relatief dik met een dikte van 6-7 m. Gedurende de laatste ijstijd
(vanaf 120.000 jaar geleden) is de löss afgezet die hedentendage
nog steeds het uiterlijk van het Zuid Limburgse landschap bepaalt.
href="http://www.chiefivo.dds.nl/wordpress/wp-content/uploads/2013/04/IMG_1849.jpg"> class="size-large wp-image-1073" alt="Uitzicht op de Cannerberg
vanuit het Jekerdal. Hoeve Nekum en de steile helling waarop de
wijngaarden gelegen zijn duidelijk te zien."
src="http://www.chiefivo.dds.nl/wordpress/wp-content/uploads/2013/04/IMG_1849-1024x764.jpg"
width="719" height="536" /> Uitzicht op de Cannerberg
vanuit het Jekerdal. Hoeve Nekum en de steile helling waarop de
wijngaarden gelegen zijn duidelijk te zien.  
Bewoning De
Cannerberg is sinds mensenheugenis bezocht en bewoond. De eerste
bezoeken vinden plaats ruim 10.000 jaar geleden als laat
paleolithische jagers/verzamelaars hun sporen achterlaten in de
vorm van vuurstenen werktuigen. De Cannerberg vormde een perfecte
uitkijkpositie over het Jekerdal waar kuddes doorheen trokken
waarop gejaagd kon worden. Ruim 7000 jaar geleden vestigden de
eerste boeren zich op de Cannerberg op een strook langs de
oostelijke rand. Het waren de eerste bewoners die een permanente
boerennederzetting stichtten die gedurende enige tijd in gebruik
bleef. Hoe lang dat weten we nog niet maar dat zal de opgraving
gaan uitwijzen. In de directe omgeving van de nederzetting werden
akkers aangelegd en in (de hellingen naast) het Jekerdal was steen
en vuursteen te vinden dat als grondstof dienden voor de stenen
werktuigen. Op een gegeven moment wordt de berg verlaten en duurt
het 4000 jaar voordat we weer sporen terug vinden die wijzen op
prehistorische bewoning. Stenen bijl en vuurstenen mes zijn
inmiddels ingeruild voor bronzen gereedschap en op het versiering
van het aardewerk lijkt minder nadruk te worden gelegd. De mensen
uit de ijzertijd bouwden er ook weer boerderijen en voorraadschuren
waar ze hun gewassen in bewaarden. Uiteindelijk zijn het de
Romeinen die meer noordelijk op de Cannerberg een villa bouwen, ook
weer om gewassen te bouwen. De Cannerberg wordt de
graanvoorraadschuur voor de Romeinse stad Maastricht. Tegenwoordig
is de Cannerberg ook een uitgesproken agrarisch gebied, eigenlijk
zoals het altijd is geweest nadat de eerste mensen het gebied
betraden. Met de aanleg en uitbreiding van het Millenniumbos wordt
het gebied weer teruggebracht in haar oorspronkelijke staat voordat
het door mensen werd bewoond: een bosrijk gebied waar mensen en
dieren vrij kunnen rondlopen. href="http://www.chiefivo.dds.nl/wordpress/wp-content/uploads/2013/04/R0011724.jpg"> class="size-large wp-image-1074" alt="Uitzicht vanaf de Cannerberg
op het westelijk gelegen middenterras waar de Apostelhoeve is
gelegen."
src="http://www.chiefivo.dds.nl/wordpress/wp-content/uploads/2013/04/R0011724-1024x768.jpg"
width="719" height="539" /> Uitzicht vanaf de
Cannerberg op het westelijk gelegen middenterras waar de
Apostelhoeve is gelegen.  

20121209-103201.jpg

TV Bandkeramiek

Enige weken geleden stond de opgraving van Elsloo weer volop in de belangstelling. MosasaurusFilm in samenwerking met KFproductions, filmen een documentaire over de bandkeramiek waarbij het onderzoek in Elsloo een centrale rol speelt. Tijdens de opgraving afgelopen zomer hebben zij onder tropische omstandigheden reeds verscheidene dagen de veldwerkzaamheden gefilmd. Het gehele werkproces vanaf het aanleggen van het opgravingsvlak tot aan het bemonsteren van de sporen werd vanaf de grond maar ook vanuit de hoogte gefilmd. Het leverde spectaculaire beelden op.
Afgelopen dinsdag werd vooral het analysetraject gefilmd waarin de onderzoekers hun verhaal deden. Op het kantoor van Archol werd gefilmd en kwamen de verschillende vondsten aan bod en werd uitgebreid ingegaan op de vele facetten van het bandkeramisch aardewerk.
In een wat gemoedelijkere setting werden de eindresultaten van de verschillende opgravingscampagnes uit 2006 en 2012 besproken en gepast binnen het grote onderzoek van Modderman in de jaren ’50 en ’60 van de vorige eeuw in Elsloo.
Doel van de filmopnamen is het verzorgen van een aflevering voor de alom geprezen tv serie Expeditie Limburg die voor L1 in opdracht van de provincie Limburg werd gemaakt. Een nieuw seizoen van deze serie zal in ieder geval opgesierd worden met de opgravingen in Elsloo.

20121127-154630.jpg

De filmopnamen in volle gang: Piet van de Velde verhaalt over het bandkeramische aardewerk.

verspreiding LBK europa

De wereld van de bandkeramiek

Afgelopen donderdagavond gaf ik een lezing in het museum Het Domein in Sittard op uitnodiging van het Limburgs Geschiedkundig en Oudheidkundig Genootschap (LGOG), sectie Westelijke Mijnstreek. Onderwerp was de presentatie van de resultaten van het archeologisch onderzoek van de opgraving te Stein-Heidekampweg.
Het werd een bijzonder geslaagde avond die zeer druk was bezocht. Ongeveer 100 man, jong en oud, had de moeite genomen om mijn verhaal aan te horen. Gedurende 2 uur heb ik getracht iedereen op de hoogte te brengen van het wel en wee in Limburgs Bandkeramia. Hoewel vele facetten van de bandkeramiek werden belicht, bleef bij mijzelf na de presentatie 1 dia in mijn gedachten hangen. Het was een plaatje van Europa waar het verspreidingsgebied van de bandkeramische cultuur op stond afgebeeld. Een plaatje dat ik al vele malen in presentaties en publicaties heb gebruikt en waar ik eigenlijk zelf nooit goed bij had stilgestaan. Dat deed ik die avond wel. Ineens realiseerde ik mij weer hoe groot de omvang van dat verspreidingsgebied is. Van de Ukraine in het oosten tot aan het Parijse bekken in het westen. In totaal beslaat het verspreidingsgebied meer dan 500.000 km². Overal zien we dezelfde materiële cultuur gemanifesteerd in het versierde aardewerk, steen- en vuursteengebruik alsmede huisbouw. En dan besef je op wat voor klein oppervlak de bandkeramiek in Limburg, of nog kleiner in Nederland, is vertegenwoordigd, slechts over 400 km². Dat is nog geen 1% van het totale oppervlak waarover de bandkeramiek is verspreid. Dat is dus maar een zeer klein percentage! En toch heeft het bandkeramisch onderzoek in Limburg in de jaren 60 en 70 van de vorige eeuw onder Modderman een toonaangevende rol gespeeld. Daar mogen we maar wat trots op zijn. Het is echter ook een van de redenen waarom Modderman zijn aandacht verlegde naar het oosten met grote opgravingen in Hienheim en Meindling.

In geheel Bandkeramia (verpreidingsgebied van de LBK cultuur) zien we dus (bijna) dezelfde typisch versierde potten, huistypen en andere gebruiksvoorwerpen. Daar zit natuurlijk wel een variabiliteit in. Potjes gevonden in de Ukraine zien er ietwat anders uit dan die in bijvoorbeeld hier worden gevonden; zo’n 1600 km verderop. Een enorme uniformiteit dus. Toch heeft 1988 Modderman ons met een kreet achtergelaten die nu nog steeds nagalmt in de oren van de meeste hedendaagse onderzoekers: “Diversiteit in Uniformiteit” oftewel alles is toch niet helemaal hetzelfde. En dat maakt onderzoek in onze regio nou zo leuk. We zitten heerlijk op de grens van het verspreidingsgebied waar allerlei gekke dingetjes (diversiteit) in de bandkeramiek zijn gebeurd maar ook zo duidelijk zichtbaar hoe eenvormig de LBK ook hier in deze contreien is. En met telkens nieuwe opgravingen zoals te Stein-Heidekampweg en Elsloo-Riviusstraat kunnen we steeds beter het onderscheid tussen diversiteit en uniformiteit maken. Dat is echter een geleidelijk proces in het onderzoek wat voor de meeste mensen nog niet zichtbaar is.
Dankzij goed onderzoek in onze buurlanden zijn de onderzoeksresultaten steeds beter onderling vergelijkbaar. We hopen volgend jaar tijdens het Europees Archeologie congres (EAA) in Pilzen dan ook een sessie te organiseren over de diversiteit in de LBK. We houden u op de hoogte!

 

[News] Lezingenmiddag “Limburg” in RMO: Archeologische ontdekkingen

bron: Leids Nieuwsblad

Archeologen uit de provincie Limburg spreken vrijdag 26 oktober van 14.30 tot 16.30 uur over unieke ontdekkingen en hun onderzoek tijdens de 12 Provinciën Lezingen in het Rijksmuseum van Oudheden. Het museum en Hazenberg Archeologie organiseren elke 2 maanden een lezingenmiddag waarbij telkens de archeologie van een andere provincie besproken wordt. Na edities waarin de provincies Friesland, Noord-Brabant, Gelderland en Zuid-Holland aan bod kwamen, is het nu de beurt aan Limburg.

Conservator Luc Amkreutz van het Rijksmuseum van Oudheden doet samen met Archol onderzoek naar vindplaatsen van ‘de Bandkeramiek’ in Limburg, de vroegste boerencultuur in Nederland (circa 5300 v. Chr.). Over het onderzoeksproject “Terug naar de Bandkeramiek” is in het museum tot en met 25 november een kleine tentoonstelling te zien.

Provinciaal archeoloog Karianne Winthagen vertelt over het icoon van het Limburgse verleden: de Maas. Door de bewoners van Limburg is de Maas verkozen tot ‘Het Landmark Limburg’. In een reis langs de Maas beschrijft Winthagen de Limburgse cultuurhistorische rijkdom, ambities en dilemma’s.

 

Vraagtekens

Conservator Karen Jeneson van het Thermenmuseum gaat de discussie aan over de behoefte aan nieuw onderzoek naar Romeins Limburg. Over het Romeinse verleden van Zuid-Limburg is in het verleden al veel gezegd en geschreven. Maar zelfs na 150 jaar onderzoek staan er nog verrassend veel vragen open. Jeneson gaat met name in op de vraagtekens omtrent de Romeinse nederzetting in Heerlen.

De gemeentearcheoloog van Venlo, Maarten Dolmans, spreekt over de mikwe van Venlo, een joods badhuis uit de 14e eeuw. Deze werd in 2004 ontdekt midden op de Oude Markt tijdens een grootschalig archeologisch onderzoek aan de Maasboulevard. De mikwe, de oudste van Nederland, is in zijn geheel geborgen en te zien in het Limburgs Museum in Venlo.

AM

LBK Odyssee in Archeologie Magazine

In het laatste nummer van ArcheologieMagazine is een artikel gewijd aan ons Odysseeproject. Het geeft een inkijk in de eerste resultaten ondersteunt door prachtig beeldmateriaal. Het artikel is hier te bezichtigen in PDF formaat

Download200 downloads

 

Meer artikels over archeologie in Nederland en in het buitenland zijn te lezen in het ArcheologieMagazine of Archeologie Online.

 

Ein besonders schönen Parallelismus?

De XRF-metingen van onze collega’s van de RCE bleken een hoop vragen op te roepen en te duiden op een vrij dynamische samenleving, die allesbehalve rigide in elkaar zat. Nu is die kennis niet nieuw, Modderman schreef in 1988 al een artikel getiteld ‘Diversity in Uniformity’ dat benadrukt dat de LBK minder eenzijdig, uniform en conservatief is dan we denken. Anderzijds is het ook zo dat de LBK ten opzichte van andere (latere) neolithische groepen nog steeds ook een toonbeeld van herkenbaarheid zijn en dat er hoe dan ook sprake is van een samenleving waarin toch een heel aantal zaken (huizenbouw, aardewerkversiering, begrafenisrituelen) tenminste deels aan strakke culturele mores verbonden lijken (zie ook Sommer 2001). Die herkenbaarheid van de LBK heeft in het verleden wel eens rare vormen aangenomen. Zo liep ik een paar weken geleden in de Slegte aan tegen een dun boekje getiteld ‘Die ältere Kupfer-Steinzeit Palästinas und der bandkeramische Kulturkreis’ van de hand van Dr. Dr. Anton Jirku, van de universiteit Bonn. Het boekje is in 1941 uitgegeven in Berlijn. Het is duidelijk dat je in zo een uitgave met die titel niet de meest gangbare interpretatie van het verleden gaat vinden. Opvallend is dat het boekje voor het grootste deel bestaat uit een deel met afbeeldingen, waarin steeds links en rechts vaatwerk en andere artefacten uit de Levant, voornamelijk Teleitāt Ghassūl in Palestina, maar bijvoorbeeld ook Byblos in Syrië worden vergeleken met bandkeramisch aardewerk in de meest brede zin. De auteur groepeert onder LBK aardewerk ook tell aardewerk afkomstig uit Zuid-Europa (Vinča en andere vindplaatsen). De redenen voor deze merkwaardige combinatie komen in het kortere eerste deel ter sprake. Het doel van Dr. Dr. Jirku is namelijk aan te tonen dat er tussen de Kupfer-Steinzeit in Palestina en de bandkeramische Kulturkreis in Zuid-Europa nauwe banden bestaan. Daartoe onderscheid hij drie mogelijkheden, waarvan de eerste twee meteen worden verworpen. De eerste theorie gaat uit van het achterblijven van eenzelfde paleolithische bevolking in Zuid-Europa en Palestina, ‘aus deren rassischer Verlagung heraus sich ein solcher Paralleismus deuten liesse’. De twee de mogelijkheid betreft migratie vanuit Palestina naar Zuid-Europa, maar daarvoor ontbreken volgens de auteur alle historische aanwijzingen. De derde en uitverkoren these luidt: ‘So bleibt nur noch die Möglichkeit übrig, das starke, dem bandkeramischen Kreise angehörende Volksteile ihren Weg auch nach Palästina gefunden haben. Dies ist vornherein um so wahrscheinlicher, als solche Wanderungen der Bandkeramiker nach anderen Teilen des Mittelmeeres schon nachgewiesen. Vervolgens stelt Jirku dat, indien het lukt zijn derde these te bewijzen er voldoende aanwijzingen zijn om reeds in het 4e millenium v. Chr. (NB. Dit zijn de dateringen uit de jaren dertig, dus voor (gecorrigeerde) radiokoolstof dateringen) een niet-semitische migratie naar Palestina en Syrië aan te tonen en om, op basis daarvan en in tegenstelling tot Buttler en Childe, de vroegste wortels van de LBK zo een duizend jaar eerder te plaatsen. De erop volgende bewijsvoering geschiedt vooral visueel en wordt onderbouwd door teksten als ‘ein besonders schönen Parallelismus’ en ‘Irgenwelche Zusammenhänge lassen sich hier wohl nicht leugnen’ en ondersteund de these ‘dass die ältere Kupfer-Steinzeit Palästinas befruchtet wurde von einem Volksteil, der sich von der ältesten bandkeramischer Kultur loslöste und bis nach Palästina wanderte …Erstmals wäre damit erwiesen, dass Palästina schon am Beginn des 4. Jahrtausends v. Chr. Von nichtsemitischen Einwandern besiedelt wurde, deren Blut dort nicht mehr verloren ging.’ Daarnaast wordt daarmee ook de LBK met zo een duizend jaar vervroegd…

Het is er mij hier niet om te doen een karikatuur te schetsen van het soort onderzoek dat er voor en tijdens de oorlogsjaren door een deel van de Duitse archeologen in Nazi-Duitsland (en daarbuiten) werd verricht. Het moge duidelijk zijn dat de opvattingen en ideeën van de bij deze ideologie betrokken onderzoekers al vrij snel ook weer gedateerd waren (zie voor een goed perspectief op de Nederlandse archeologie in deze periode het proefschrift van Martijn Eickhoff). Mij was echter nog niet eerder een case-study bekend die zo duidelijk de bandkeramiek als onderwerp neemt. Opvallend vind ik ook de mate waarin de argumentatie er ‘aan de haren bij wordt gesleept’, iets dat een onderzoeker in die tijd toch ook niet helemaal serieus kon nemen. Afgezien van de visuele vergelijking in het beeldgedeelte van het boek, waarbij de Parallelismus soms toch wel erg basaal is (een komvorm, platte bodem, knobbeloor, of zelfs een maalsteen, komen op nog wel een paar plekken en in nog wel een paar culturen op min of meer dezelfde wijze voor) wordt en passant ook in een voetnoot genoemd dat er gebruik is gemaakt van juist de bandkeramische potten die nog geen spiral-mäander versiering vertoonden. Dit is gebaseerd op een vergelijking met vindplaatsen van de Vinča cultuur, zoals die van (Szomos Ujvar) in Roemenië, waar een laag met onversierde keramiek voorkwam onder een laag met versierd aardewerk. Jirku (pp.16) geeft daarbij wel aan dat hij het aan de prehistorici van Europa overlaat daar verdere conclusies uit te rekken. Een korte zoektocht op internet leverde weinig informatie over Dr.Dr. Jirku op, maar hij lijkt vooral te associëren te zijn met de archeologie van de Levant en de bijbel. Vooralsnog ben ik in de bandkeramische literatuur (wellicht niet toevallig) nog geen verwijzingen naar Dr.Dr. Jirku tegengekomen. Desalniettemin blijft het een vreemd voorbeeld van de manier waarop archeologie en in dit geval de LBK gebruikt wordt om politieke en nationalistische ideeën voor het voetlicht te brengen. In het geval van Jirku’s Parallelismus wellicht op weinig overtuigende wijze, maar in andere gevallen helaas veel sluipender.

Eickhoff, M. 2003. De oorsprong van het ‘eigene’. Nederlands vroegste verleden, archeologie en nationaal-socialisme, Boom, Amsterdam.

Jirku, A. (1941). Die ältere Kupfer-Steinzeit Palästinas und der bandkeramische Kulturkreis’, Walter de Gruyter & Co, Berlijn.

Modderman, P. J. R. (1988). “The Linear Pottery Culture: diversity in uniformity.” Berichten van de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek 38: 63-140.

Sommer, U. (2001). “Hear the instruction of thy father, and forsake not the law of thy mother,’ Change and persistence in the European Early Neolithic.” Journal of Social Archaeology 1(2): 244-270.

Loopgraaf

De eerste bandkeramieker

Een heet hangijzer voor het Nederlands bandkeramisch onderzoek is wie nu de eer krijgt als eerste bandkeramische resten gevonden, of beter gezegd herkend, te hebben. Je zou zeggen dat dit redelijk eenvoudig is maar dat blijkt anders te liggen.
In België was het Omalien (zoals de LBK toen werd genoemd) al eerder herkend. Het werd ook gevonden in Noord-Frankrijk maar meer toevallig zoals bijvoorbeeld bij het uitgraven van loopgraven bij het Franse Vimy op de hellingen van het dal van de Leije (omgeving Lens) zoals beschreven werd in Le Feu door Henry Barbusse. In deze socialistische aanklacht tegen de Eerste Wereldoorlog, gebaseerd op zijn eigen dagboek, wordt beschreven hoe tijdens het uitdiepen van loopgraven naast de skeletten van gevallen onder de aarde bedolven kameraden ook prehistorische stenen bijlen, vermoedelijk bandkeramische dissels, werden gevonden. Saillant detail is dat het werktuig blijkbaar beter in de hand ligt dan de reguliere legerbijl. Jammer is dan weer wel dat de vinder in het boek, de Parijse barman Tulacque, zich daarna voordoet als een aapmens. Dat is toch niet echt een treffende beschrijving voor een bandkeramische boer wiens vakkennis betreffende het maken van bijlen net geprezen werd.

De eerste vermelde Nederlandse bandkeramische vondst (hoewel niet als zodanig herkend) komt waarschijnlijk op naam van Casimir Ubaghs uit Maastricht (gepubliceerd in Sprenger 1948). Ook Ubaghs had dissels in de omgeving van Maastricht gevonden maar kon ze niet geheel in tijd of naar cultuur niet plaatsen. Hij hoopte vooral op meeroevernederzettingen aan de Maas bestaande uit prachtig geconserveerde paaldorpen zoals deze begin 19e eeuw in de Zwitserse meren zijn aangetroffen. Hoewel hij de prehistorische ouderdom van de dissel erkende meent hij desondanks -of misschien wel dankzij- dat hij aan de voet van de Caberg aan de oever van de Maas, ook een meer (of beter gezegd Maas-)oevernederzetting heeft gevonden (Ubaghs, C. 1884:Publications de la Société Historique et Archéologique dans le Duché de Limbourg, X X I (nouvelle série Tome I), 1-92). Helaas resteert weinig van de vondsten die Ubaghs destijds heeft gedaan zodat deze niet verder in context zijn te plaatsen.
Het Canadian National Vimy Memorial is een oorlogsmonument in Frankrijk ter nagedachtenis van de Canadese soldaten die sneuvelden tijdens de Eerste Wereldoorlog. Het monument staat in de gemeente Givenchy-en-Gohelle op een herdenkingssite op de heuvelrug van Vimy (Vimy Ridge). De omliggende herdenkingssite is een bewaard slagveld uit de Slag van Vimy.

foto: Het Vimy Memorial in het door oorlogsgeweld gepokte landschap

 

We moeten dus op zoek naar de persoon die bandkeramische vondsten of sporen, de destijds bekende hutkommen of zoals in België genoemd: de fonds des cabanes van de Omaliencultuur, als zodanig herkende. Bij het doorspitten van de archieven van het RMO komen een aantal onderzoekers van het eerste uur in aanmerking voor de ereprijs: Holwerda, conservator en directeur van het Rijksmuseum voor Oudheden uit Leiden die al in 1905 voorspeld dat het niet lang zal duren totdat vondsten uit het Omalien in Nederland zouden worden gevonden, de huisarts/amateurarcheoloog Beckers uit Beek die zich begin jaren ’20 ontpopt als een ware pionier voor de Limburgse archeologie, Remouchamps, assistent van Holwerda, de priester-(rijks)archivaris Goossens uit Maastricht en pastoor Kengen uit Caberg. Genoemde personen blijken uiteindelijk allen een belangrijke rol te spelen in het verhaal. In 1924 werden namelijk in Stein in het huidige haventerrein opgravingen uitgevoerd door Remouchamps en dr Beckers. Daar was een Romeins praetorium of gasthuis gelegen alsmede een “germaansche burcht” die door beide heren werd onderzocht. Hoewel de aandacht voornamelijk uitging naar de Romeinse vondsten, waren er ook enkele bijzondere bijvangsten. Op enige afstand van het gebouw bevonden zich naast ijzertijdsporen ook enkele hutkommen waarin overduidelijk bandkeramische resten zaten (voor de problematiek daarbij zie Een gedateerd Trio). Aangezien de opgravingscampagne over enkele jaren werd uitgesmeerd en Remouchamps helaas voortijdig overleed, konden pas in 1929 de resultaten van het onderzoek worden gepubliceerd.

Het lijkt er op dat in Stein dus de eerste bandkeramische resten werden ontdekt door Remouchamps en/of dr Beckers, wilde het toeval niet dat op de Caberg in Maastricht een pastoor met een grote tegenwoordigheid van geest goed over zijn schaapjes waakte. In de groeven t.b.v. de baksteenindustrie werd bij het weggraven van de löss opmerkelijke prehistorische vondsten gedaan. Deze vondsten bestaande uit aardewerk en vuurstenen werktuigen werden door de verbaasde directeur ir. Marres van de groeve aan de pastoor getoond. Hoewel niet precies wetende wat hem getoond werd, besefte de pastoor dat de vondsten niet van alledag waren en zeer waarschijnlijk prehistorisch van ouderdom. Hij nam de vondsten mee en liet ze aan dr. Goossens zien die meer verstand van oudheden had en waar hij wel vaker oudheden naar toe had gebracht. Waarschijnlijk in samenspraak met Holwerda, met wie Goossens een zeer goede relatie had, werd een aantal vondsten herkend als zijnde bandkeramiek. In een klein artikeltje in het tijdschrift van het Limburgs Geschied- en Oudheidkundig Genootschap wordt in 1925 ruchtbaarheid aan de vondst gegeven.

Aan Goossens komt dus uiteindelijk de eer toe als eerste in Nederland de ‘bandkeramiekcultuur’ herkend en in druk vermeld te hebben (Goossens, J.W.H. 1925, Berichten [s.v. Maastricht], De Maasgouw 45, 70). Op de melding van Kengen en Goossens volgt al in 1925 een opgraving door het Rijksmuseum van Oudheden onder leiding van Holwerda door Remouchamps en Beckers. De opgravingen liepen met onderbrekingen tot in 1934. Grappig genoeg bevinden deze opgravingen zich precies boven op het Maasterras waar aan de oever van de Maas Ubaghs nog de eerste meeroevernederzetting herkend meende te hebben.

Holwerda

Een gedateerd trio

Het zal menig onderzoeker van het Limburgs prehistorische erfgoed niet ontgaan zijn dat bij veel bekende bandkeramische opgravingen ook laat prehistorische bijvangsten zijn gedaan (uiteraard geheel afhankelijk van het perspectief van de onderzoeker). Als voorbeeld kunnen we bijvoorbeeld de ijzertijderfjes noemen die zijn aangetroffen te midden van de bandkeramische nederzettingen van Geleen-Janskamperveld, Elsloo-Koolweg, Stein-Keerenderkerkweg op de Caberg bij Maastricht. Ook Romeinse resten in de vorm van een grafveld, praetorium of villacomplex worden dikwijls in combinatie met bandkeramische sporen gezien zoals bijvoorbeeld te Stein meerdere malen is waargenomen.
Het is echter geen nieuwetijds verschijnsel. Al in de pioniersjaren van het onderzoek naar de bandkeramiek is het bijna sacrale trio ook bijvoorbeeld Holwerda opgevallen. Hij schrijft erover nadat hij de opgravingen ten behoeve van het uitgraven van de haven van Stein heeft gepubliceerd. Hij noemt daar dat het voorkomen van de drie verschillende culturen (Donaucultuur, “Germaansche” La Tene en Romeinse cultuur) door hem en Remouchamps is geconstateerd bij opgravingen van hutkommen op de Caberg en bij Stein. Hij stelt dat ook bij tal van opgravingen in de Eiffel deze belangrijke waarnemingen zijn gedaan. Hieruit zou volgen dat “…getrouw aan zijn vooropgezette praehistorische chronologie, spreekt men daarbij altijd van een opeenvolging van verschillende kultuurperioden op dezelfden bodem…” Dus drie verschillende culturen achtereenvolgend op dezelfde plek gewoond en nu weer teruggevonden. Maar uit de aantekeningen van Remouchamps (deze was inmiddels overleden zonder dat hij zijn opgravingen in Stein had kunnen publiceren) meende Holwerda op te maken dat uit meerdere sporen, met name de hutkommen, vondsten afkomstig van alledrie de verschillende culturen waren teruggevonden. Deze schijnbare gelijktijdigheid van vondsten in gesloten context ontlokte zelfs de volgende uitspraak van hem: “…Voor hem (!), wien de praehistorische chronologie nog geen onaanvechtbaar geloofsartikel geworden is, is dit zeker een gewichtig feit, om rekening mede te houden.

Nu jaren later weten we dat er van een gelijktijdigheid geen sprake kan zijn. Sterker nog, middels bijvoorbeeld C14-dateringen is aangetoond dat tussen  de bandkeramiek en ijzertijd en Romeinse tijd een periode van een slordige 4000 jaar zit. Hoe het komt dan dat we vondsten van de drie culturen binnen hetzelfde spoor aantreffen. De meest voor de hand liggende verklaring betreft dat het hier gaat om de zogenoemde nazakvulling van een spoor. Nadat een kuil is opgevuld, blijft er een lange tijd nog een kleine depressie of deuk in de grond over omdat de losse grond waarmee de kuil is gevuld langzaam inklinkt. Deze depressie vult zich langzaam met allerlei materiaal afkomstig uit de directe omgeving van het spoor. Zo kan het dat eeuwen later nog materiaal in de bovenste vulling van het spoor terechtkomt. Een andere verklaring kan zijn dat in een jongere periode er een nieuw spoor in het oorspronkelijke bandkeramische spoor is gegraven waarin weer vondsten zijn gevallen.

Hoewel we de uitspraken en observaties van Holwerda en Remouchamps in de tijd van de eerste onderzoekers gezien moet worden, kan men nu toch wel spreken van een gedateerd trio.