Een eigen huis, een plek op de löss

Sinds het moment van herkenning wordt de bandkeramiek onlosmakelijk verbonden met de lössbodems. Hoewel deze relatie redelijk causaal lijkt te zijn, blijkt er voor de Nederlandse nederzettingen meer variatie en spanning dan eerst voor mogelijk werd gehouden. Sinds een tijdje weten we dat de bandkeramische nederzettingen niet alleen beperkt zijn gebleven tot de lössgronden maar ook daarbuiten voorkomen. Zo zijn er inmiddels nederzettingen bekend die op de laagterrassen zijn gelegen in het Maasdal (op het zogenaamde terras van Geistingen) waar löss en klei zijn afgezet. Deze gronden zullen niet altijd gevrijwaard zijn van overstromingen waardoor landbouw wellicht een grotere uitdaging is geweest. Twee bekende vindplaatsen waar duidelijk sporen in samenhang met nederzettingsafval zijn aangetroffen vinden we te Itteren-Sterkenberg en bij Stein-Nattenhoven. Maar ook nieuwe vindplaatsen zijn inmiddels gekend zoals te Maastricht-Randwijck waar enkele kuilen tijdens een proefsleuvenonderzoek zijn aangetroffen. Maar ook te Stein-Haven.

Deze laatste vindplaats is voor het Odysseeproject bestudeerd. Het is een van de oudst gekende vindplaatsen die reeds in 1926 deels is opgegraven als toevalstreffer bij een gezamenlijk onderzoek van het RMO en dr Beckers naar een Romeinse villa. We hebben hier al vaker over deze vindplaats gesproken. De bandkeramische vondsten die daar zijn gedaan zijn niet al te spectaculair te noemen maar de locatie is dat eigenlijk des te meer. In eerste instantie was de locatie redelijk onderbelicht gebleven aangezien het huidige havengebied van Stein in geen enkel opzicht meer aan het toenmalige landschap refereert. Maar door gebruik te maken van oude kadastrale kaarten (te vinden op www.watwaswaar.nl) in combinatie met opgravingskaarten uit 1926 was het mogelijk om de precieze locatie van de opgravingen te achterhalen. Al eerder hebben we gemeld dat door opnieuw naar de opgravingsgegevens te kijken, we deze konden aanpassen aan de hand van de laatste kanttekeningen van Remouchamps. Op deze manier konden de sleuven gegraven door Remouchamps ook op de juiste geografische locatie geplaatst worden. Nu is duidelijk dat de opgravingsputten dichterbij het beekje de Ur liggen dan eerst was aangenomen. Dit beekje stond wel op die tekeningen maar gedacht was dat deze ligging meer schetsmatig was. De Ur is een van die vergeten limburgse heuvellandbeken die dankzij de moderne bebouwing grotendeels aan ons zicht is onttrokken. De beek ontspringt uit twee bronnen ongeveer ter hoogte van Kerensheide in het Beekerveld op het middenterras en slingert vervolgens langs de zuidkant van Stein en het Kasteel van Stein naar het laagterras alwaar het weer richting noorden langs de plateaurand bij Urmond in de Maas uitmondt. De naam Urmond heeft echter niks te maken met de monding van de Ur. In de twaalfde eeuw lag deze monding namelijk veel westelijker. De beek heeft er sinds de industrialisatie flink van langs gekregen en is nu langzaam daarvan op aan het krabbelen. Een van de bronnen is thans weer watervoerend.

De vindplaats Stein-Haven is dus gelegen op het laagterras, tussen Ur en Maas in. Maar er zijn meer van dergelijke vindplaatsen bekend. Zo kennen we sinds een aantal jaren ook de vindplaats Stein-Nattenhoven die op ongeveer 4 km ten noorden van Stein-Haven is gelegen. Naar het zuiden toe ligt de vindplaats Itteren-Sterkenberg. Opvallend is dat alle drie vindplaatsen een soortgelijke landschappelijke setting hebben: in het Maasdal en tussen Maas en een beek ingelegen. Nattenhoven ligt dicht aan de bron van de Kingbeek en langs Sterkenberg stroomde de Geul. Opmerkelijk dus.
Al langer ben ik bezig met nederzettingsonderzoek, het bandkeramische cultuurlandschap en hoe de bandkeramiekers dit landschap gebruikten en beleefden. Een ding is zeker: ze kenden het landschap op hun duimpje en wisten die kennis in hun voordeel te benutten. En als je naar de verschillende nederzettingen kijkt dan zijn een aantal tendensen aan te wijzen zoals afstand tot water en het gebruik van hogere locaties. Al reeds eerder zijn dan ook modellen opgesteld om te kunnen voorspellen waar we de bandkeramische bewoning kunnen verwachten (bijv. Bakels 1978; 1982). Ook zelf heb ik getracht een verklarend model op te zetten. Het nadeel echter is dat als we de modellen toepassen ongeveer de helft van Zuid Limburg van Sittard tot Vaals bewoond kan zijn geweest aangezien daar locaties voorkomen die aan onze afgeleide voorwaarden voldoen. En dat klopt dus niet want hoewel er telkens nieuwe vindplaatsen bijkomen, clustert de bewoning toch nadrukkelijk langs de westelijke mijnstreek: het Graetheidegebied en de Caberg. Door meer inzicht te krijgen op het neolithische landschap kunnen we eigenlijk pas begrijpen welke afwegingen destijds zijn gemaakt om een nederzetting te stichten. Het is pas dan dat we enige uitspraken kunnen doen omtrent locatiekeuze en niet eerder!

www.elsoo.info

;

Leave a Reply

Your email address will not be published.


*

You may use these HTML tags and attributes: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <strike> <strong>