De eerste, de oudste, de grootste, etc.

Archeologen zijn altijd op zoek naar superlatieven. De oudste werktuigen, de eerste bewoning van een gebied, de 100e LBK boerderij in Elsloo, de grootste dissel, de kleinste microliet en ga zo maar door. De echte informatie zit vaak veeleer verscholen in de normale vondsten, in de noeste patronen die door veelvuldig graven, analyseren en documenteren tevoorschijn komen, die op het eerste gezicht lang niet altijd spraakmakend lijken en waar vaak bloed, zweet en tranen aan ten grondslag liggen. Zo ook afgelopen week. In de regenachtige nazomer ontbrak nogal eens de reden naar buiten te trekken en in het kader van het Odyssee project verschansten Ivo en ik ons dan ook enkele dagen in de bieb van het RMO om daar op zoek te gaan naar documentatie en correspondentie over de opgravingen die het team onderzoekt. Trouw aan deze bijdrage zal ik dan ook niet ingaan op de informatie die we gewonnen hebben, op de schetsen die hopelijk wat licht in de duisternis werpen, of op de verwikkelingen tussen RMO, correspondenten, regionale notabelen, opgravers, verplaatste vondsten, bovenmoerdijkse arrogantie en provincialisme, maar op een van de superlatieven, die, onder een roestig paperclipje van inmiddels zo een 85 jaar oud aan een brief zat gehecht.

De brief betreft er een van RMO correspondent en rijksarchivaris dr. Goossens aan zijn goede vriend directeur Holwerda van het RMO, gedateerd 18 maart 1926. ‘Ik was precies van plan U heden te schrijven, toen ik Uw brief ontving. Alles gaat wel…’ Hij vervolgt met te melden dat zijn opgravingen in het Romeinse castellum en de pandtuin van de O.L. vrouwenkerk (te Maastricht?) niet ideaal verliepen, onder meer door de haast die geboden was omdat er bloemperken zouden worden aangelegd. De inderhaast aangelegde sleuf stortte ook nog eens een keer in. Beter nieuws is er voor de op handen zijnde opgravingscampagne, waarbij het RMO en het Limburgs (geschied en oudheidkundig) genootschap elkaar al een tijdje financieel en opgravingstechnisch vinden. Goossens nodigt Holwerda uit: ‘Wat Belvédere betreft, voor het regelen van het onderzoek aldaar zult u zelf eens moeten overkomen. Dat was trouwens ook uw plan meen ik? Het terrein is uitgestrekt en de vondsten zijn zoo verschillend dat U persoonlijk vantevoren moet gezien hebben om een “plan de campagne” in elkaar te zetten.’ Hij vervolgt met: ‘Ik zend u hierbij een foto, die ik als proef had laten maken van een der typische scherven en van 3 krabbers uit het gat dat ik in Oct. j.l. ontgroef.’

Daar, tussen de regels door staat het dan, een superlatief van de bovenste plank, verwijzend naar een kleine vierkante opname onder voornoemde paperclip. Vooralsnog staan wij ons er in het project op voor de oudste foto van Bandkeramisch aardewerk gevonden te hebben (en meteen de oudste foto van drie Bandkeramische krabbers). Op de achterkant van de foto staat Maastricht-Belvédere, Oct. 1925. Misschien niet zo een belangrijke, maar het is wel de oudste….tenminste, voorlopig……

One thought on “De eerste, de oudste, de grootste, etc.”

  1. Een bijzondere foto van een van de eerste Bandkeramische grondsporen aan de Keerenderkerkweg te Stein, blootgelegd door H.Beckers in oktober 1928. In die tijd sprak men nog van ‘Omalien’ en van ‘hutten en hutkommen’ en schreef men ‘Steijn’. Opmerkelijk is de grote open vlakte tussen het oude centrum van Stein, de buurtschap Keerend en het Steinerbos, nu volledig bebouwd, met vaag op de horizon de windmolen ‘Op de Linde’.
    Het tijdsbeeld wordt versterkt door de kleding van met name de vrouwelijke bezoekers bij een bezoek aan de opgraving, waarschijnlijk op een zondagmiddag.

    Omalien Hut uit Stein

Leave a Reply

Your email address will not be published.

You may use these HTML tags and attributes: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <strike> <strong>