Prehistorische mannen waren werpers

Skeletten van prehistorische mannen – maar niet die van vrouwen – vertonen dezelfde beschadigingen aan de elleboog als professionele honkballers. In ellebogen uit latere tijden worden deze beschadigingen, die veroorzaakt worden door vaak werpen of hameren, nauwelijks meer teruggevonden. Dit blijkt uit een analyse van beschadigingen aan peesaanhechtingen van de elleboog bij 308 skeletresten uit de prehistorie (van de IJstijd tot circa 3.000 jaar voor Christus) en 953 uit latere tijden (Romeinse tijd tot nu). De studie verscheen in het Journal of Archaeological Science (online, 3 januari).

Waarschijnlijk betekent deze bevinding dat prehistorische mannen veel wierpen tijdens de jacht. In ieder geval wijst het op een duidelijke werkverdeling tussen man en vrouw. Deze beschadiging van pezen in de elleboog wordt in de moderne tijd alleen aangetroffen in heel specifieke beroepen, zoals honkbalwerpers en timmerlieden die extreem veel hameren. Het is iets anders dan de ‘gewone’ tennisarm, die ook in het verleden vaak voorkwam. Om te corrigeren voor schade die door algemene bewegingen ontstaat, bekeken de onderzoekers, een Franse antropologe en een Engelse archeoloog, de verhouding tussen ‘werpersarm’- en ‘tennisarm’-beschadigingen.

Dit artikel is verschenen in het NRC Handelsblad van maandag 13 januari 2014 op pagina 18

Abstract van het artikel:

Sexual division of labour in European prehistory is usually inferred by indirect means: ethnographic analogy, pictorial representation, or from grave inclusions. The study of skeletal activity-related morphology seems the most direct means by which to interrogate the question of sexual division of labour in past societies. In this paper we present the results of an analysis of enthesopathies (i.e. lesions of the tendon attachments) of the elbow in three time-successive population samples spanning the prehistoric, pre-industrial historic, and modern European eras. We employ an innovative analytical procedure, the lateral to medial epicondylar ratio (L/M ratio) to assess limb use. Results indicate a tendency for lateral epicondylosis in all samples, except for prehistoric males, who possess medial epicondylosis more frequently, and for the right side only. The increased prevalence of pathological changes of the right medial epicondyle suggests lateralized limb use that corresponds with “thrower’s elbow”. This indicates that males, but not females, preferentially employed movements involving throwing motions in these hunter-gatherer and early farming groups. Based on this evidence we postulate the existence of a persistent sexual division of labour in these prehistoric European populations involving one or several strenuous activities linked to unilateral limb use.

Leave a Reply

Your email address will not be published.