Category Archives: aardewerk

Notenköpfe

Muzieknoten of Notenköpfe, en versieringshulpjes op LBK-aardewerk: werelden van verschil

Het versierde aardewerk van de LBK is in veruit de meeste gevallen zeer competent versierd, de maaksters wisten hoe zij dat moesten aanleggen. Gegeven een beperkt tableau waarop een aantal zich herhalende motieven moet worden aangebracht, is de eerste stap een onderverdeling van dat veld te maken zodat op elk deelveld het motief goed uitkomt en, vooral, er niet een leeg stuk rest of slechts een ingedikt motief mogelijk is. Het indelen van het potoppervlak is op vrijwel ieder groter stuk LBK-aardewerk herkenbaar aan relatief grote, enkele of gepaarde (soms drievoudige) indrukken van een spatelpunt. Als in de uiteindelijke versiering ook puntjes voorkomen, zoals in de vulling van de banden, zijn deze eigenlijk altijd kleiner en daardoor goed te onderscheiden. Behalve dat het potoppervlak op die wijze in deelvelden (“metopen”, als die indeling benadrukt is) opgedeeld is, kunnen deze nog verder gedetailleerd zijn met behulp van spatelindrukken. Immers, een beetje nette spiraal moet in of net boven het midden van de figuur uitkomen, en dat zomaar op het handje uitvoeren lukt niet eenvoudig; hulppunten zijn nodig als leidraad. Op diezelfde wijze, om dezelfde reden, zijn soms symmetrie-assen en/of kaders voor de hoofdmotieven aangebracht. Deze puntjesrijen zijn niet als sekundaire motiefjes op te vatten, latere in- en aanvullingen; integendeel, zij struktureren de hoofdmotieven. Modderman heeft het in zijn aardewerktypologie dan over “Tussen de banden komen twee-, drie- of viervoudige grote indrukken voor, of loodrechte rijen punten” (o.a. Modderman 1970: 129).

Deze indelingshulpjes of “hulppunten” worden vaak verward met wat wel muzieknoten of Notenköpfe genoemd worden, die ook in Limburg een enkele maal in de aardewerkversiering opduiken. Achter die laatste zit echter een heel ander verhaal, het gaat dan om een speciaal type bandkeramische aardewerkversiering, die verondersteld wordt een herkomst en een periode aldaar aan te duiden (respectievelijk Bohemen-Zuid-Polen en de “Sarka”-periode, ongeveer overeenkomend met Laat-Flomborn/vroeg Midden-LBK; bij ons de fasen 1c-1d) (Vencl 1961; Pyzel 2011). In de “echte” muzieknotenstijl zijn de lijnen van de hoofdmotieven op regelmatige afstand gekruist met puntjes, het heeft wel wat weg van prikkeldraad –en soms vind je dat gecombineerd met indelingsmerkjes als in de vorige alinea beschreven. Een mooie illustratie van deze verwarring wordt gegeven door Stehli (1973: Abb. 45), die hulppunten en echte muzieknoten gelijkelijk Notenköpfe noemt (hiernaast). Uiteraard vallen de zg. Hantelmotive (halters, of ook “doodsbeenderen”: een kort lijntje met aan beide uiteinden een dwars-gestelde spatelindruk) niet onder het hoofdje “Muzieknoten” –in tegenstelling tot wat bijv. Modderman daarover schrijft (Modderman 1970: 124); het zijn secundaire motiefjes die de ruimte tussen de hoofdmotieven opvullen.

In het Odyssee-materiaal ben ik tot nu toe slechts twee met echte Notenköpfe verierde potjes tegen gekomen (zie foto). Van de door Modderman genoemde voorbeelden blijft er slechts één overeind, uit Sittard (Modderman 1959: Abb. 61 Nr 81) –en dat is een nogal sterk verscherfde pot, zodat ook deze niet geheel zeker is.

Modderman, Pieter J.R., 1959: Die bandkeramische Siedlung von Sittard. Palaeohistoria VI/VII: 33-120.

Modderman, Pieter J.R., 1970: Linearbandkeramik aus Elsloo und Stein. Analecta Praehistorica Leidensia 3.

Pyzel, Joanna, 2011: “Gibt es im Norden Polens die älteste Bandkeramik? Probleme der Periodisierung der polnischen LBK.” Bremen: Arbeitsgemeinschaft Neolithikum, 05.10.2011, Referat.

Stehli, Petar, 1973: “Keramik.”  In J.-P. Farruggia, R. Kuper, J. Lüning & P. Stehli: Der bandkeramische Siedlungsplatz Langweiler 2 Gemeinde Aldenhoven, Kreis Düren. Köln/Bonn: Habelt  (Rheinische Ausgrabungen, Bnd 13); SS. 57–100.

Vencl, Slavomil, 1961: Studie o Sareckem Typu / Studie über den Sarka–Typus. Sborník XV(3): 93–140.

 

De eerste, de oudste, de grootste, etc.

Archeologen zijn altijd op zoek naar superlatieven. De oudste werktuigen, de eerste bewoning van een gebied, de 100e LBK boerderij in Elsloo, de grootste dissel, de kleinste microliet en ga zo maar door. De echte informatie zit vaak veeleer verscholen in de normale vondsten, in de noeste patronen die door veelvuldig graven, analyseren en documenteren tevoorschijn komen, die op het eerste gezicht lang niet altijd spraakmakend lijken en waar vaak bloed, zweet en tranen aan ten grondslag liggen. Zo ook afgelopen week. In de regenachtige nazomer ontbrak nogal eens de reden naar buiten te trekken en in het kader van het Odyssee project verschansten Ivo en ik ons dan ook enkele dagen in de bieb van het RMO om daar op zoek te gaan naar documentatie en correspondentie over de opgravingen die het team onderzoekt. Trouw aan deze bijdrage zal ik dan ook niet ingaan op de informatie die we gewonnen hebben, op de schetsen die hopelijk wat licht in de duisternis werpen, of op de verwikkelingen tussen RMO, correspondenten, regionale notabelen, opgravers, verplaatste vondsten, bovenmoerdijkse arrogantie en provincialisme, maar op een van de superlatieven, die, onder een roestig paperclipje van inmiddels zo een 85 jaar oud aan een brief zat gehecht.

De brief betreft er een van RMO correspondent en rijksarchivaris dr. Goossens aan zijn goede vriend directeur Holwerda van het RMO, gedateerd 18 maart 1926. ‘Ik was precies van plan U heden te schrijven, toen ik Uw brief ontving. Alles gaat wel…’ Hij vervolgt met te melden dat zijn opgravingen in het Romeinse castellum en de pandtuin van de O.L. vrouwenkerk (te Maastricht?) niet ideaal verliepen, onder meer door de haast die geboden was omdat er bloemperken zouden worden aangelegd. De inderhaast aangelegde sleuf stortte ook nog eens een keer in. Beter nieuws is er voor de op handen zijnde opgravingscampagne, waarbij het RMO en het Limburgs (geschied en oudheidkundig) genootschap elkaar al een tijdje financieel en opgravingstechnisch vinden. Goossens nodigt Holwerda uit: ‘Wat Belvédere betreft, voor het regelen van het onderzoek aldaar zult u zelf eens moeten overkomen. Dat was trouwens ook uw plan meen ik? Het terrein is uitgestrekt en de vondsten zijn zoo verschillend dat U persoonlijk vantevoren moet gezien hebben om een “plan de campagne” in elkaar te zetten.’ Hij vervolgt met: ‘Ik zend u hierbij een foto, die ik als proef had laten maken van een der typische scherven en van 3 krabbers uit het gat dat ik in Oct. j.l. ontgroef.’

Daar, tussen de regels door staat het dan, een superlatief van de bovenste plank, verwijzend naar een kleine vierkante opname onder voornoemde paperclip. Vooralsnog staan wij ons er in het project op voor de oudste foto van Bandkeramisch aardewerk gevonden te hebben (en meteen de oudste foto van drie Bandkeramische krabbers). Op de achterkant van de foto staat Maastricht-Belvédere, Oct. 1925. Misschien niet zo een belangrijke, maar het is wel de oudste….tenminste, voorlopig……

Spiralen en meanders

image

image

image

image

Wat opvalt bij het bestuderen van LBK aardewerk is elke keer weer de kracht van het ‘design’. Het principe dat eraan ten grondslag lag is simpel, maar bereikte een coca cola-achtige populariteit zo een 7000 jaar geleden: over grote delen van Centraal Europa werd door middel van meanders, spiralen en variaties daarop uitdrukking gegeven aan eenzelfde culturele identiteit. Gedurende de latere bandkeramiek kwam een opvulling van de banden met spatelindrukken im schwung, maar het basisprincipe bleef onveranderd. Bandkeramisch aardewerk zal van Polen tot het Parijse bekken een duidelijke boodschap hebben uitgedragen, inmiddels niet meer te ontsleutelen, maar evenmin aanwezig.

Ongehoord

image

image

Vorige week stond in het teken van het ‘splitsen’ van de vindplaats Elsloo-Catsop. Ook hier kwamen weer mooie LBK vondsten aan het daglicht, zoals een zak vol oren. Wat ook opvalt is het vaak bijzonder versierde aardewerk, waarbij we met name bij Caberg nog het een en ander kunnen verwachten. Bijzonder dat al deze vondsten na duizenden jaren ondergronds en bijna een eeuw in het depot van het RMO nu de stilte weer verbreken.