Category Archives: Settlements

Een reconstructie van een bandkeramische huisplaats

Opgravingen op de Cannerberg [3]: een bandkeramische huisplaats

Het onderzoek op de Cannerberg is inmiddels 4 weken bezig. Tijd om de eerste resultaten te melden. Deze week een nadere blik op de sporen van de bandkeramische nederzetting die zijn aangetroffen. We zullen daarbij vooral nader ingaan op de bandkeramische huizen of huisplaatsen. De periode van de Bandkeramiek (5250-4900 v. Chr.) is vooral van belang voor de Vaderlandse geschiedenis omdat in deze tijd de toenmalige bewoners van het Limburgse land voor het eerst, in groepsverband, in huizen gingen wonen. Voorheen trokken jagers-verzamelaars als nomaden door het land en verbleven ze maar relatief kortstondig op één plek. De bandkeramische boeren bleven echter op dezelfde plek wonen, in de nabijheid van hun akkers. Nu zou men verwachten dat ze zouden wonen in eenvoudige hutten die redelijk makkelijk te bouwen zijn. Niets is echter minder waar. Ze bouwden namelijk imposante houten constructies die wel 30 m lang waren en 5 tot 6 m breed (ca 200 m², check makelaars in de omgeving voor prijzen). Deze kennis over de eerste huizen van de eerste boeren is echter nog niet lang bekend.

Hutkommen

Toen de eerste bandkeramische opgravingen in 1925 door het Rijksmuseum van Oudheden ten noorden van Maastricht werden uitgevoerd, waren de onderzoekers er heilig van overtuigd dat de Bandkeramiekers nog in kuilen in de grond woonden; de zogenaamde hutkommen. Destijds werd namelijk vooral opgegraven in smalle zoeksleuven van 80 cm breed waarin je de grondsporen van grote bandkeramische huizen nooit zou kunnen terugvinden. Wel de kuilen die naast de huizen waren gelegen en waar al het afval in gegooid werd. Vandaar dat men dacht dat ze in de kuilen gewoond hadden. Het waren de enige sporen die werden teruggevonden. Er werd zelfs nog gedacht dat er een dak boven de kuilen had gestaan maar later bleek dat de kleine sporen rondom de kuilen waarschijnlijk mollenpijpen waren (dat zijn gangen in de grond die door mollen zijn gegraven). Het was pas in 1950 toen professor Modderman van de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek uit Amersfoort, in Elsloo een opgraving uitvoerde voordat men in Nederland inzag dat de Bandkeramiekers niet onder de grond woonden maar in grote huizen naast deze kuilen.

Reconstructie van een hutkom
Reconstructie van een hutkom

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Bandkeramische huizen
Als gevolg van grootschalige opgraving in Sittard, Geleen en Elsloo die door Modderman werden uitgevoerd, werd bekend hoe de bandkeramische huizen er uit hebben gezien. En daarmee bedoelen we vooral hoe de opbouw en indeling van een huis in elkaar stak. Archeologen vinden namelijk alleen nog maar verkleuringen in de grond waar ooit palen hebben gestaan die het skelet of funderingen van het huis vormden. Deze palen zijn weggerot of uitgetrokken waardoor de kuilen die voor de palen zijn uitgegraven een andere (meestal donkere) kleur hebben gekregen dan de omliggende grond. Soms vinden we in deze paalkuilen nog afvalresten terug zoals houtskool, verbrande leem of heel soms een bouwoffer zoals een dissel (stenen bijl). Zo kunnen we de paalsporen nu nog herkennen nadat ze 7000 jaar geleden al zijn vergaan.
Modderman (samen met de Groningse professor Waterbolk) ontdekte dat de bandkeramische huizen altijd volgens een bepaald schema in delen gebouwd waren. Sommige huizen bestonden alleen uit een middendeel (zogenaamd type 3 huis), andere uit een achterdeel en een middendeel (type 2) en het grootst aantal huizen heeft een voordeel, middendeel en achterdeel (type 1). Het zijn vooral deze laatste type huizen die langer dan 30 m kunnen zijn.
De opbouw van de huizen is ook zeer uniform: de wanden bestaan uit kleine palen die ongeveer om de meter in de grond zijn gezet. Daartussen heeft een vlechtwand gestaan, besmeerd met leem. Het dak werd gedragen door een rij van drie grote palen (middenstaanders), verdeeld over het hele huis. Helaas vinden we geen onderdelen van de houten bovengrondse constructie terug maar men kan aannemen dat om die palen op hun plaats te houden en enigszins weerstand te bieden tegen weer en wind, er allerlei dwarsverbindingen moeten hebben bestaan. Het zal een zware constructie zijn geweest.

De indeling van een bandkeramisch huis in drie delen
De indeling van een bandkeramisch huis in drie delen

 

 

 

 

 

Indeling
Omdat we geen originele vloeroppervlakken terugvinden is het gissen naar de indeling van de huizen. Omdat het middendeel altijd voorkomt, is beredeneert dat dit het woon- en slaapgedeelte was. Het achterdeel zou als slaapplaats of tijdelijk onderkomen voor het vee kunnen hebben gediend. Het voordeel zou als opslagplaats voor oogst in gebruik zijn geweest. We weten het echter niet zeker. In het huis hebben ook kookvuren gebrand. Aangenomen wordt dat een grote familie in het huis woonden: opa, oma, vader, moeder en kinderen. Bij elkaar ongeveer 8 personen. Geen misselijke villa dus.

Huisplaats Het huis staat op een huisplaats. Dat is de ruimte rondom het huis die dagelijks wordt betreden en gebruikt voor huishoudelijke taken. Gedacht wordt dat de huisplaats ongeveer 20 bij 30 m rondom het huis beslaat. Deze wordt in ieder geval opgevuld met kuilen (zgn. langskuilen) die naast het huis zijn gegraven. In eerste instantie om de leem uit te halen die op de wanden worden gesmeerd. Later als afvalkuil. Wat er verder op de huisplaats lag is nu juist de hoofdvraag van ons onderzoek. Hopelijk daarover dus snel meer.

Een reconstructie van een bandkeramische huisplaats
Een reconstructie van een bandkeramische huisplaats
tekening Piet van de Velde

Buiten de nederzetting

Laatst was ik voor een verjaardagsfeestje van een van mijn kinderen met 12 kinderen naar een overdekt kinderspeelparadijs gegaan. Een feest voor de kinderen en een gehoorbeschadiging voor de ouders. We leven tegenwoordig in een maatschappij waar allerlei activiteiten buiten de woonomgeving wordt aangeboden en ontplooid. Beetje decadent maar wel fijn als het regent.
Het geeft je te denken hoe het dagelijkse leven van de bandkeramiekers heeft uitgezien. En dan niet datgene waar de materiële neerslag van bewaard is gebleven en verwijzen naar huishoudelijke activiteiten zoals een dissel om mee te hakken of een maalsteen om erwten mee te vermalen (voor de erwtensoep?). Maar hebben de bandkeramiekers aan vrijetijdsbesteding gedaan zoals het spelen van een spel (oefening in spelvorm is natuurlijk een fantastische manier om iets te leren) of het zingen van een lied of het geven van een verjaardagspartijtje. Het bandkeramisch kind komt maar zelden aan bod als we het over de bandkeramiek hebben. En als we het over de LBK in het algemeen hebben dan hebben we het meestal alleen over de landbouw, het bomen hakken, huis bouwen, vuursteen verzamelen en verwerking of over potjes maken, hersenpan inslaan of over begravingen. Archeologisch onderzoek beschrijft meestal wat de (volwassen) groep doet en laat maar weinig ruimte voor de individuele handeling en het individu. Laat staan dat het gaat over kinderen. Maar het is dan ook moeilijk om een individuele handeling van een kind archeologisch terug te vinden in een gefossiliseerde vorm die na duizenden jaren voor ons nog zichtbaar is. Een voorbeeld van kinderspeelgoed is het kleine potje of duimpotje dat soms tijdens opgravingen wordt gevonden. Het zou een imitatie zijn van wat moeders aan het doen is. Kleine mensjes maken blijkbaar kleine potjes. Daar zijn mijn kinderen het niet mee eens denk ik. Wat de onderzoekers betreft is het enige feestje dat een kind krijgt, zijn initiatie feestje voor als hij volwassen wordt, maar dan is de kindertijd alweer voorbij. Volwassen individuen vinden we nog wel eens terug in grafvelden hoewel dat ook niet altijd duidelijk zichtbaar is. Vooral in Nederland, waar door de ontkalkte loss geen onverbrand bot bewaard is gebleven. Kindergraven worden wel verondersteld maar zijn moeilijk aantoonbaar (te veel kraakbeen wat slecht bewaard blijft). Waar volwassenen de mooiste grafgiften krijgen in de vorm van een versierde pot, maalsteen, dissel, vuurslag of stuk oker, krijgen kinderen vermoedelijk alleen een stel scherven mee als teken van hun incompleetheid of onvolwassenheid. Alleen de volwassenen tellen dus blijkbaar mee.
Geen dolle pret dus in de bandkeramiek als we alleen maar uit gaan van de materiële cultuur. En daarom is het zo leuk dat op een tijdsbalk getekend door Piet van de Velde juist de bandkeramiek wel met een feestje wordt afgebeeld. Trouwens zonder kinderen daarbij. Opmerkelijk, zeker aangezien de bandkeramiek toch met voldoende andere -lees serieuzere- zaken meestal wordt geïllustreerd. Zou het kind zijn in de bandkeramiek alleen maar als opmaat naar de volwassenheid hebben gestaan. Heeft opa zijn kleinkind alleen maar geleerd hoe vuursteen te bewerken, speren te gooien en dissels te slijpen? En oma alleen maar geleerd hoe erwtensoep te maken, potten te versieren zoals haar moeder dat deed? Of werden onze kleine bandkeramiekers het Maasdal ingestuurd om het vee te hoeden?
Dit alles maakt eens te meer duidelijk hoe moeilijk het is om op basis van de archeologische data een reconstructie te maken die niet alleen de huisvlijt representeert maar ook andere dagelijkse, wekelijkse of maandelijkse handelingen.
Laten we dit maar eens als uitgangspunt nemen voor verder onderzoek en dus op zoek gaan naar het individu of de individuele handeling van de bandkeramiek.

tekening Piet van de Velde
tekening Piet van de Velde

Een eigen huis, een plek op de löss

Sinds het moment van herkenning wordt de bandkeramiek onlosmakelijk verbonden met de lössbodems. Hoewel deze relatie redelijk causaal lijkt te zijn, blijkt er voor de Nederlandse nederzettingen meer variatie en spanning dan eerst voor mogelijk werd gehouden. Sinds een tijdje weten we dat de bandkeramische nederzettingen niet alleen beperkt zijn gebleven tot de lössgronden maar ook daarbuiten voorkomen. Zo zijn er inmiddels nederzettingen bekend die op de laagterrassen zijn gelegen in het Maasdal (op het zogenaamde terras van Geistingen) waar löss en klei zijn afgezet. Deze gronden zullen niet altijd gevrijwaard zijn van overstromingen waardoor landbouw wellicht een grotere uitdaging is geweest. Twee bekende vindplaatsen waar duidelijk sporen in samenhang met nederzettingsafval zijn aangetroffen vinden we te Itteren-Sterkenberg en bij Stein-Nattenhoven. Maar ook nieuwe vindplaatsen zijn inmiddels gekend zoals te Maastricht-Randwijck waar enkele kuilen tijdens een proefsleuvenonderzoek zijn aangetroffen. Maar ook te Stein-Haven.

Deze laatste vindplaats is voor het Odysseeproject bestudeerd. Het is een van de oudst gekende vindplaatsen die reeds in 1926 deels is opgegraven als toevalstreffer bij een gezamenlijk onderzoek van het RMO en dr Beckers naar een Romeinse villa. We hebben hier al vaker over deze vindplaats gesproken. De bandkeramische vondsten die daar zijn gedaan zijn niet al te spectaculair te noemen maar de locatie is dat eigenlijk des te meer. In eerste instantie was de locatie redelijk onderbelicht gebleven aangezien het huidige havengebied van Stein in geen enkel opzicht meer aan het toenmalige landschap refereert. Maar door gebruik te maken van oude kadastrale kaarten (te vinden op www.watwaswaar.nl) in combinatie met opgravingskaarten uit 1926 was het mogelijk om de precieze locatie van de opgravingen te achterhalen. Al eerder hebben we gemeld dat door opnieuw naar de opgravingsgegevens te kijken, we deze konden aanpassen aan de hand van de laatste kanttekeningen van Remouchamps. Op deze manier konden de sleuven gegraven door Remouchamps ook op de juiste geografische locatie geplaatst worden. Nu is duidelijk dat de opgravingsputten dichterbij het beekje de Ur liggen dan eerst was aangenomen. Dit beekje stond wel op die tekeningen maar gedacht was dat deze ligging meer schetsmatig was. De Ur is een van die vergeten limburgse heuvellandbeken die dankzij de moderne bebouwing grotendeels aan ons zicht is onttrokken. De beek ontspringt uit twee bronnen ongeveer ter hoogte van Kerensheide in het Beekerveld op het middenterras en slingert vervolgens langs de zuidkant van Stein en het Kasteel van Stein naar het laagterras alwaar het weer richting noorden langs de plateaurand bij Urmond in de Maas uitmondt. De naam Urmond heeft echter niks te maken met de monding van de Ur. In de twaalfde eeuw lag deze monding namelijk veel westelijker. De beek heeft er sinds de industrialisatie flink van langs gekregen en is nu langzaam daarvan op aan het krabbelen. Een van de bronnen is thans weer watervoerend.

De vindplaats Stein-Haven is dus gelegen op het laagterras, tussen Ur en Maas in. Maar er zijn meer van dergelijke vindplaatsen bekend. Zo kennen we sinds een aantal jaren ook de vindplaats Stein-Nattenhoven die op ongeveer 4 km ten noorden van Stein-Haven is gelegen. Naar het zuiden toe ligt de vindplaats Itteren-Sterkenberg. Opvallend is dat alle drie vindplaatsen een soortgelijke landschappelijke setting hebben: in het Maasdal en tussen Maas en een beek ingelegen. Nattenhoven ligt dicht aan de bron van de Kingbeek en langs Sterkenberg stroomde de Geul. Opmerkelijk dus.
Al langer ben ik bezig met nederzettingsonderzoek, het bandkeramische cultuurlandschap en hoe de bandkeramiekers dit landschap gebruikten en beleefden. Een ding is zeker: ze kenden het landschap op hun duimpje en wisten die kennis in hun voordeel te benutten. En als je naar de verschillende nederzettingen kijkt dan zijn een aantal tendensen aan te wijzen zoals afstand tot water en het gebruik van hogere locaties. Al reeds eerder zijn dan ook modellen opgesteld om te kunnen voorspellen waar we de bandkeramische bewoning kunnen verwachten (bijv. Bakels 1978; 1982). Ook zelf heb ik getracht een verklarend model op te zetten. Het nadeel echter is dat als we de modellen toepassen ongeveer de helft van Zuid Limburg van Sittard tot Vaals bewoond kan zijn geweest aangezien daar locaties voorkomen die aan onze afgeleide voorwaarden voldoen. En dat klopt dus niet want hoewel er telkens nieuwe vindplaatsen bijkomen, clustert de bewoning toch nadrukkelijk langs de westelijke mijnstreek: het Graetheidegebied en de Caberg. Door meer inzicht te krijgen op het neolithische landschap kunnen we eigenlijk pas begrijpen welke afwegingen destijds zijn gemaakt om een nederzetting te stichten. Het is pas dan dat we enige uitspraken kunnen doen omtrent locatiekeuze en niet eerder!

www.elsoo.info

;

Tatort Talheim

Afgelopen week reisden Ivo, Piet en ik oostwaarts naar Bremen om aldaar deel te nemen aan de Arbeitsgemeinschaft Neolithikum op het 7e Duitse archeologiecongres. Hoewel de lezingen aldaar, met name gericht op het thema van het eindigen van culturele verschijningen, mooi aansloten op ons Odyssee onderzoek was het congres niet het enige dat ons zal heugen aan deze reis. Op de heenweg bezochten we namelijk ook Kalkriese, alwaar Varus 2002 jaar geleden gedurende drie dagen van intense gevechten zijn legioenen verspeelde alvorens zichzelf op zijn zwaard te werpen. Het museum rondom de Varusslacht had dan waarschijnlijk ook niet toevallig gekozen voor de nu lopende tijdelijke tentoonstelling ‘Tatort Talheim’.
De tentoonstelling vertelt het verhaal van een moordpartij die zich zo een 5000 jaar voor de Varusslag afspeelde in de buurt van Talheim, Neckarraum. Daar werden in korte tijd 34 mensen op brute wijze vermoord, waaronder 16 kinderen. De daders waren vermoedelijk eveneens bandkeramiekers uit dorpen in de buurt. De lichamen zijn uiteindelijk in een grote kuil gedumpt en werden pas in 1983 ontdekt door de Landwirt Everhard Schoch toen deze in zijn groententuintje aan het spitten was. Het daarop volgende onderzoek van de archeoloog Wahl bracht de spectaculaire vondst pas echt aan het licht. Daarbij speelde het uitzonderlijk nauwkeurige fysisch antropologische onderzoek en de DNA-verwantschapsanalyse een belangrijke rol. Niet alleen de relatie tussen de slachtoffers kon zo worden vastgesteld, maar, ook vaak tot in het pijnlijkste detail, de wijze waarop ze hun laatste minuten beleefden.
Als doorgewinterde LBK-fanatici waren we natuurlijk bekend met Talheim en blij verrast de tentoonstelling op de heenweg mee te kunnen pikken, maar na het zien van de tentoonstelling was de sfeer in de auto toch wat minder uitbundig… en terecht. Tatort Talheim weet op een gepaste, maar indringende wijze duidelijk te maken wat er zich in die uitbarsting van geweld afspeelde. Leidraad vormt daarbij het tegenwoordig poulaire CSI-achtige kader, voorgesteld door een Tatort met lampen en linten rondom de opgravingsplattegrond. Deze wordt omzoomd door de vondsten, zoals dissels en botmateriaal, waarbij de schedels met disselinslag redelijk confronterend zijn. Lopend door de tentoonstelling ontdek je echter langzaamaan dat het niet een abstracte aflevering van Bones of CSI is waar je doorheen loopt, maar iets dat echt gebeurd is, met echte mensen. De makers hebben die snaar mijns inziens op een evenwichtige wijze weten te raken door nergens bloed, geweld en spektakel de hoofdtoon te laten voeren, maar juist subtiliteit. Langzaamaan ontwaar je rondom je in de zaal 34 individuen, kinderen, vrouwen, mannen, bejaarden. Het zijn rode silhouetten, abstract. Kom je dichterbij dan hebben ze allemaal een documentatielabel. Ze hebben een nummer, geen naam, maar wel ineens een leeftijd, een postuur, indicatie van gezondheid en wijze van overlijden. Bijvoorbeeld een jonge vrouw (84/4) van 20 jaar en 1,59 m lang met tandsteen en groeistoornissen, waarschijnlijk echtgenote van 84/2+83/16, (familie 1), 3 keer op het achterhoofd geslagen. Een man van 60 (83/3A), met zes zonen en vier kleinkinderen, slag op het achterhoofd. Of een kleuter van 3 jaar oud (84/24), 0,59 m lang en met enigszins scheve tanden en een vitamine C tekort, eveneens met ingeslagen schedel. In enkele gevallen worden de laatste ogenblikken nog extra benadrukt doordat de fysisch antropologische analyse de opeenvolgende handelingen die fataal waren heeft kunnen reconstrueren, de zogenaamde Tathergang. Daaruit bleek de agressie van de aanval en het lijden van de slachtoffers, zonder dat dit pathetisch of spectaculair wordt benadrukt.
Aan het eind deed de tentoonstelling dus waarvoor ze gemaakt is; de bezoeker de boodschap geven dat geweld niet iets is van ons tijdperk, maar veel eerder van ons als mens. Zo verandert Talheim het lang geldende beeld van vredig naast elkaar levende Neolithische samenlevingen in iets dat helaas dichter bij onze werkelijkheid staat dan we misschien gemakkelijk vinden.

De tentoonstelling staat nog to 8 januari. Mocht u in de buurt zijn ga dan zeker even kijken.

http://www.kalkriese-varusschlacht.de/varusschlacht-ausstellung/aktuelle-sonderausstellung/tatort-thalheim.html

http://de.wikipedia.org/wiki/Massaker_von_Talheim