Category Archives: Research

Bijnaderinzien

Bij nader inzien

Bij nader inzien is een tentoonstelling over nieuw onderzoek naar 31 ‘vergeten’ archeologische opgravingen in Nederland. De resultaten ziet u in deze afwisselende expositie over twee zalen, met onderwerpen uit de prehistorie, Romeinse tijd, Middeleeuwen en de Tweede Wereldoorlog.
Het LBK Odyssee project vormt ook onderdeel van de expositie.

Nieuw onderzoek naar oude opgravingen
In de vorige eeuw zijn door het hele land duizenden opgravingsprojecten uitgevoerd. Lang niet altijd werden de resultaten goed in kaart gebracht. Vondsten en documentatie verdwenen zelfs ongezien in dozen en lades. 31 van deze ‘vergeten’ opgravingen zijn de afgelopen jaren opnieuw bestudeerd. Dat gebeurde door middel van nieuwe technieken en met financiële steun van het ministerie van OCW, de wetenschapsorganisatie NWO en in samenwerking met de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed.
Twee zalen vol ontdekkingen

De eerste zaal van de tentoonstelling vindt u op de begane grond van het museum, vlakbij de ingang. Via een grote landkaart op de vloer maakt u in deze zaal kennis met alle projecten: 31 opgravingsprojecten en een digitaliseringsproject. De tweede zaal is op de eerste verdieping. Hier zijn de onderzoeken verdeeld over vier thema’s. U ziet objecten, verhalen, tekeningen, maquettes, reconstructies en foto’s. U leest welke ontdekkingen de vroegere én hedendaagse archeologen hebben gedaan.
Staalkaart van archeologisch Nederland

Samen leveren de opgravingsprojecten een fraaie staalkaart van archeologisch Nederland op: de Boshoverheide met de grootste prehistorische begraafplaats van Noordwest-Europa, Romeinse forten en dorpjes langs de limes en de kust, vroegmiddeleeuwse grafvelden en stadsopgravingen de eerste onderwateropgraving van Nederland en vondsten uit de Tweede Wereldoorlog.
Onderzoekers van nu doen verrassende ontdekkingen

Gebrek aan geld en tijd was vaak de reden dat opgravingen niet verder werden uitgewerkt. De vergeten opgravingsprojecten hebben vervolgens lang moeten wachten voordat iemand zich erover ontfermde. In de afgelopen vier jaar vormden deze projecten het vertrekpunt voor nieuwe, spannende zwerftochten door archieven en depots. De onderzoekers van nu doken in de stoffige dozen en mappen met vondsten, tekeningen, foto’s en documentatie en deden soms verrassende ontdekkingen.

Odyssee en de behouden thuiskomst
Het project om de vergeten opgravingen nieuw leven in te blazen kreeg van het ministerie en het NWO de naam Odyssee mee. Hiermee werd de behouden thuiskomst van belangrijke informatie over ons verleden gesymboliseerd, vrij naar de behouden thuiskomst van de Griekse held Odysseus na zijn mythische omzwervingen.

Zie ook op facebook en het RMO

Bijnaderinzien

[News]Prehistorische mannen waren werpers

Skeletten van prehistorische mannen – maar niet die van vrouwen – vertonen dezelfde beschadigingen aan de elleboog als professionele honkballers. In ellebogen uit latere tijden worden deze beschadigingen, die veroorzaakt worden door vaak werpen of hameren, nauwelijks meer teruggevonden. Dit blijkt uit een analyse van beschadigingen aan peesaanhechtingen van de elleboog bij 308 skeletresten uit de prehistorie (van de IJstijd tot circa 3.000 jaar voor Christus) en 953 uit latere tijden (Romeinse tijd tot nu). De studie verscheen in het Journal of Archaeological Science (online, 3 januari).

Waarschijnlijk betekent deze bevinding dat prehistorische mannen veel wierpen tijdens de jacht. In ieder geval wijst het op een duidelijke werkverdeling tussen man en vrouw. Deze beschadiging van pezen in de elleboog wordt in de moderne tijd alleen aangetroffen in heel specifieke beroepen, zoals honkbalwerpers en timmerlieden die extreem veel hameren. Het is iets anders dan de ‘gewone’ tennisarm, die ook in het verleden vaak voorkwam. Om te corrigeren voor schade die door algemene bewegingen ontstaat, bekeken de onderzoekers, een Franse antropologe en een Engelse archeoloog, de verhouding tussen ‘werpersarm’- en ‘tennisarm’-beschadigingen.

Dit artikel is verschenen in het NRC Handelsblad van maandag 13 januari 2014 op pagina 18

Abstract van het artikel:

Sexual division of labour in European prehistory is usually inferred by indirect means: ethnographic analogy, pictorial representation, or from grave inclusions. The study of skeletal activity-related morphology seems the most direct means by which to interrogate the question of sexual division of labour in past societies. In this paper we present the results of an analysis of enthesopathies (i.e. lesions of the tendon attachments) of the elbow in three time-successive population samples spanning the prehistoric, pre-industrial historic, and modern European eras. We employ an innovative analytical procedure, the lateral to medial epicondylar ratio (L/M ratio) to assess limb use. Results indicate a tendency for lateral epicondylosis in all samples, except for prehistoric males, who possess medial epicondylosis more frequently, and for the right side only. The increased prevalence of pathological changes of the right medial epicondyle suggests lateralized limb use that corresponds with “thrower’s elbow”. This indicates that males, but not females, preferentially employed movements involving throwing motions in these hunter-gatherer and early farming groups. Based on this evidence we postulate the existence of a persistent sexual division of labour in these prehistoric European populations involving one or several strenuous activities linked to unilateral limb use.

[News] Lezingenreeks 2014 –Thermenmuseum

Vanaf 28 januari 2014 organiseert het Thermenmuseum maandelijks een lezing in het thema ‘De eerste boeren’, horend bij de gelijknamige tentoonstelling die momenteel te zien is in het museum.
In de lezingencyclus staat de boerenlandbouw op de löss in Zuid-Limburg door de eeuwen heen centraal. Vijf lezingen belichten de belangrijkste perioden van vernieuwing: de Steentijd, de Romeinse tijd, de Middeleeuwen en de 19e eeuw.

Programma
28 januari 2014
drs. Ivo van Wijk – De Bandkeramiekers, eerste boeren van Limburg. (Bandkeramiek)

25 februari 2014
dr. Karen Jeneson – Van Keltische keuterboer tot Romeinse ‘agricola’. De transformatie van het boerenbestaan op de löss in de Romeinse tijd.

25 maart 2014
dr. Corrie Bakels – Wat zaait de boer? De keuze van het gewas. (IJzertijd – Karolingische tijd)

29 april 2014
dr. Hans Renes – Boeren in de Middeleeuwen.

27 mei 2014
Theo Bastiaens – Het oude nieuwe. (19e eeuw)

De lezingen vinden plaats in het Thermenmuseum en starten om 19.00 uur (inloop vanaf 18.30 uur). Het programma duurt tot ca. 21.00 uur.
Toegang: € 7,50; Passe-partout (5 lezingen) € 30,00.
Aanmelden: tel. 045-5605100, info@thermenmuseum.nl of via de balie van het Thermenmuseum

Over de sprekers
drs. Ivo van Wijk – senior projectleider – archeologisch bedrijf Archol te Leiden
dr. Karen Jeneson – conservator – Thermenmuseum Heerlen
dr. Corrie Bakels – archeobotanist – Universiteit Leiden
dr. Hans Renes – historisch geograaf – Universiteit Utrecht & Vrije Universiteit Amsterdam
Theo Bastiaans – voorzitter stichting Historische Landbouw – Schinveld

Tentoonstelling ‘De eerste boeren’
Het Thermenmuseum presenteert tot 1 juni 2014 de tentoonstelling ‘De eerste boeren’, over de zogenaamde Bandkeramiek-boeren. Dit waren de allereerste boeren op de vruchtbare Zuid-Limburgse lössgronden. De tentoonstelling is gemaakt door het Rijksmuseum van Oudheden (RMO) in Leiden, waar de tentoonstelling in 2012 te zien was. Met de presentatie in het Thermenmuseum zijn de schatten van Limburg weer terug op Limburgse bodem!

20131224-164345.jpg

Opgravingen op de Cannerberg [7]: start van de uitwerking

Reeds een paar maanden geleden is de opgraving op de Cannerberg afgerond. Nu wordt eindelijk de start gemaakt met de uitwerking van alle gegevens die in het veld zijn verzameld. Voor de bandkeramische periode zal de uitwerking zich op een aantal thema’s toespitsen. Ten eerste is dat de fasering van de nederzetting. Hoe lang heeft het bandkeramisch dorpje nu op de Cannerberg bestaan en hoeveel boerderijen hebben er tegelijkertijd gestaan. Om hier een antwoord op te kunnen geven zal in eerste instantie worden begonnen met het beschrijven en analyseren van al het bandkeramische aardewerk. Daarbij wordt vooral gelet op de versiering van het aardewerk. De versiering is namelijk een belangrijke indicator voor hoe oud het aardewerk is ten opzichte van elkaar. Een relatieve datering dus. Het uitgangspunt namelijk is dat het oudste aardewerk eenvoudig was versierd en dat deze in de loop der tijd steeds uitbundiger werd. Dat kwam omdat de wijze van versiering van moeder op dochter werd doorgegeven. Doordat de dochter telkens weer een nieuwe versieringsstijl of motief toevoegde ontstond uiteindelijk een patroon van vele motieven uitgevoerd met lijntjes en puntjes. Het aardewerk wordt dan per kuil beschreven on zodoende een relatieve datering van elke kuil die aardewerk heeft bevat te verkrijgen. Als we er van uitgaan dat een aantal kuilen tot een huisplattegrond heeft gehoord, met name de langskuilen die parallel aan het huis zijn gelegen, kunnen we uiteindelijk een datering van de huisplattegrond krijgen. Daarmee komen we gelijk op het tweede thema, namelijk de inrichting van de huisplaats. De huisplattegrond met haar langskuilen zal ongetwijfeld een deel hebben uitgemaakt van de huisplaats. Maar hoe was deze verder ingericht? Door alle kuilen die voldoende aardewerk hebben opgeleverd te dateren kunnen we zien welke kuil tot welke huisplaats mogelijk heeft behoord. Dit is nooit met zekerheid te zeggen maar we kunnen toch tot een redelijke benadering komen. Door goed te kijken naar alle vondsten die in deze kuilen zijn gedaan of beter gezegd al het afval dat in deze kuilen is gegooid, hopen we iets te kunnen zeggen over welke activiteiten op deze huisplaats hebben plaatsgevonden. Heeft er vuursteenbewerking plaatsgevonden, is alleen huishoudelijk afval weggegooid en zijn sommige kuilen misschien voor specifieke doeleinden gebruikt. Stap voor stap wordt het dagelijkse leven daarmee ingevuld. Of op z’n minsten benadering daarvan gegeven. Wat al langzaam duidelijk wordt is dat de nederzetting op de Cannerberg langer in gebruik is geweest dan we aanvankelijk dachten. Niet slechts enkele generaties maar toch gedurende een langere periode. Hoe lang zal nog moeten blijken. We analyseren rustig door!

Het beschrijven en opmeten van het aardewerk samen met Piet van de Velde

20131224-164107.jpg

[News]Europa: al in de Steentijd multiculti

Archeologie: nieuwkomers bepaalden niet alleen onze genen, maar ook onze culturen

Steeds vaker vinden archeologen aanwijzingen dat in het prehistorische Europa de volkeren over en door elkaar heen buitelden.

Het was, natuurlijk, altijd al een beetje gek. We mogen onszelf dan Europeaan noemen, een oud volk uit een oud continent – wie ons dna doorvlooit, ziet al snel dat het anders zit.

Een vuilnisbakkenras, die Europeanen. Haast de helft draagt dna dat duidt op een afstamming uit het Midden-Oosten. Een op de tien heeft een prehistorische genetische mutatie die afkomstig is uit de Kaukasus. Weer anderen hebben dna dat duidt op voorvaderen in Mesopotamië, Iran of West-Azië. Een samengesteld allegaartje: van alle autochtone Europeanen is slechts 10 tot 20 procent nakomeling van de oorspronkelijke volksstammen die hier na de laatste ijstijd binnentrokken.

Hoe dat zo is gekomen? Het lijkt erop dat de grote vermenging in de Nieuwe Steentijd plaatsvond (in noordwest-Europa: ongeveer 6000-2200 v. Chr.), zo schrijft deze week een onderzoeksteam rondom de flamboyante Duitse steentijdarcheoloog Harald Meller in Science. Sterker nog: de nieuwkomers hebben niet alleen onze genen, maar ook onze culturen vormgegeven.

Het team van Meller lichtte de afgelopen jaren de genetische profielen door van 562 prehistorische skeletten, en zet die deze week uit op een opmerkelijke tijdlijn: telkens als er een nieuw volk opdook, hing dat samen met de opkomst van een nieuwe cultuur, met nieuwe voorwerpen en leefwijzen of anders gevormd aardewerk. Alsof ieder volk zijn eigen slimmigheidjes meenam.

Het was lang taboe om zulks te beweren, legt de Leidse hoogleraar Europese prehistorie Harry Fokkens uit. ‘Vroeger was alles migratie’, schetst hij. ‘Bij iedere nieuwe cultuur die archeologen vonden, dachten ze meteen dat er een nieuw volk in het spel was.’ Totdat nieuwe dateringstechnieken gehakt maakten van die ‘migratietheorie’. Cultuur is immers iets wat mensen ook gewoon op elkaar overdragen, zo werd in de liefdevolle jaren zestig en zeventig het leidende paradigma. ‘Maar ik ben bang dat we er niet aan ontkomen dat er toch meer aan de hand was’, zegt Fokkens nu.

Het nieuwe Duitse onderzoek, het meest omvangrijke in zijn soort tot dusver, zet die kijk stevig aan. Op een filmpje waarin Meller en zijn consortium hun bevindingen samenvatten, spoelen de bevolkingsgroepen als kleurige inktvlekken over Europa, golf na golf, een mengsel van culturen en invloeden uit alle windrichtingen. 5500 jaar v. Chr.: een toestroom van stammen uit vermoedelijk Anatolië en het Midden-Oosten, tijdens de opkomst van de bandlineaire cultuur en de eerste landbouw. Rond 4000 v. Chr.: een volksverhuizing vanuit Duitsland naar Scandinavië, tien eeuwen later gevolgd door een beweging de andere kant op. 2800 v. Chr.: een plotse invasie vanuit het oosten, die gepaard ging met de opkomst van de zogeheten touwbekercultuur.

Centraal station

Zo kwam er om de haverklap een nieuw volk aanwaaien, met een nieuwe culturele invloed, nieuwe technieken, en een nieuwe ‘haplogroep’ – zoals bevolkingsgroepen in de genetica heten. West-Europa leek het centraal station wel. ‘We zijn geen simpel mengsel’, zegt Mellers eerste auteur, promovendus Guido Brandt, aan de telefoon. ‘Onze studie laat zien dat het beeld veel complexer is dan: de landbouw kwam uit het Nabije Oosten, en toen werden we allemaal boeren.’

Het is een stelligheid die overigens niet iedereen kan bekoren. ‘De populatie werd geleidelijk diverser’, beaamt Leendert Louwe Kooijmans, emeritus hoogleraar prehistorische archeologie in Leiden. ‘Maar om dat nou op te hangen aan afzonderlijke gebeurtenissen en migratiegolven, dat vind ik een beetje ouderwetse Duitse archeologie.’ Fokkens heeft soortgelijke bedenkingen – zo wijst hij erop dat de Duitsers wel erg gemakkelijk beweren dat de zogeheten klokbekercultuur uit Spanje kwam – maar is toch ook gefascineerd. ‘Je vraagt je af hoe zoiets gaat. Komt er soms een migrant aanlopen die zegt: je kunt je aardewerk beter zó maken?’

Waarschijnlijk ging het geleidelijker, weet Fokkens natuurlijk ook wel. In de vroege dagen van de landbouw ontstonden er bijvoorbeeld mengvormen: ‘Hazendonk en de Vlaardingencultuur waren waarschijnlijk boeren met een sterke jachtcomponent. En de Swifterbantcultuur (in onder meer het noordoosten van Nederland, ongeveer 5000-3400 v. Chr.) waren in feite jagers-vissers-verzamelaars met een koetje en een beetje graan.’

In andere gevallen hield men er soms gewoon twee gescheiden werelden op na. Zo bedreef de bandkeramische cultuur in Zuid-Nederland dik 5.000 jaar geleden al landbouw, terwijl de Vlaardingencultuur een paar duizend jaar later nog overwegend stoelde op visvangst, jacht en verzamelen. Ook in Frankrijk en België leefden oud en nieuw lange tijd naast elkaar.

Collega’s van Meller en Brandt kwamen gisteren per snelpublicatie op de website van Science met een ander intrigerend voorbeeld. Soms haalden de oude Europeanen hun schouders op over die malle nieuwkomers – en hielden ze stug vast aan hun eigen gebruiken, pal onder de neus van de immigranten.

Dat is althans het beeld dat volgens archeologe Ruth Bollongino van de Johannes Gutenberg Universiteit in Mainz opdoemt uit een grot genaamd Blätterhöhle. Die grot – in feite niet meer dan een nauwe spleet in een rotswand nabij Essen – lag bij ontdekking mudvol botten van herten, dassen, zwijnen. En van de steentijdmensen die er een goede vier- a vijfduizend jaar geleden woonden. ‘Graven hebben we er nooit gevonden’, vertelt Bollongino. ‘Alles lag door elkaar, de grot was eeuwenlang omgewoeld door wilde dieren. We weten niet eens of de mensen hier wel werden begraven, of gewoon op de grond gelegd. Het enige dat we redelijk zeker weten, is dat men de doden hier heeft binnengebracht.’

U en H

Het vervolgonderzoek leek een routineklus. Samen met collega’s van onder meer het Max Planck Instituut voor Evolutionaire Antropologie slaagde Bollongino erin minieme beetjes dna van 29 individuen uit de botten te isoleren. Genoeg om het haplotype te bepalen, de ‘familiecode’ van de doden. De oudste geraamten droegen het haplotype ‘U’ dat hoort bij jagerverzamelaars; bij de meer recente doden zaten behalve U-mensen ook leden van bevolkingsstam ‘H’, een importgroep die in verband staat met de eerste boeren. Helemaal volgens het boekje: zo’n 5.500 jaar geleden introduceerden nieuwkomers uit waarschijnlijk Anatolië de landbouw, en ging men boeren.

Alleen: dat was niet wat Bollongino zag toen ze de tanden van de doden bestudeerde, om te achterhalen wat ze zoal aten. De ‘H-mensen’ aten typisch boerenkost, bleek daaruit, zoals granen en vlees van boerderijdieren. Maar de ‘U-mensen’ aten vooral vis. Zelfs toen de landbouwrevolutie al tweeduizend jaar gaande was, vertikten de oorspronkelijke ‘U’-bewoners het kennelijk om ook een akker te beginnen, constateert Bollongino. Ze werden visser-jager-verzamelaars.

‘Heel vreemd’, zegt ze desgevraagd. ‘Deze mensen deelden duizenden jaren lang hetzelfde gebied met de boeren, dezelfde dodengrot zelfs, en toch hielden ze vast aan een heel andere leefstijl. Alsof je vandaag midden in het moderne Europa mensen ontdekt met dezelfde leefstijl als aan het begin van de jaartelling.’

Fokkens en Louwe Kooijmans hebben twijfels – zo valt op het voedingsonderzoek veel af te dingen – maar Fokkens beaamt wel dat het beeld past bij wat archeologen al dachten. ‘Ze zullen ruilhandel hebben bedreven’, oppert Bollongino, verwijzend naar moderne etnografische studies in Afrika en op de Filippijnen van jagers en boeren die in elkaars buurt leven. ‘Wij een mand met graan van de akker, jullie vanavond verse vis of pas gevangen hert op tafel.’

Zo begint de Nieuwe Steentijd, ooit een amorfe prehistorische mist die zich uitstrekte over enorme gebieden en tijdvakken, warempel steeds meer op gewone geschiedenis te lijken, met afzonderlijke volkeren, leefstijlen en vooral heel veel plaatselijke verschillen. ‘Allerlei dingen die we veronderstelden, beginnen handen en voeten te krijgen,’ zegt Louwe Kooijmans.

TERUGPUZZELEN

Zoals een achternaam of een woord met de tijd soms iets van schrijfwijze kan veranderen, zo verspringt ook ons dna af en toe een letter. Soms gebeurt dat op stukken dna die een functie hebben, maar vaak ook vinden de mutaties plaats op plekken zonder betekenis. Dat is interessant voor het afstammingsonderzoek. Omdat zulke ‘loze plekken’ niet onder selectiedruk staan, kun je er de geschiedenis van het dna uit afleiden – ongeveer zoals je kunt terugpuzzelen dat de achternaam Janssen zich ooit misschien heeft afgesplitst van de familie Jansen.

Populair is het ‘mitochondriale dna’, erfelijk materiaal dat niet in de celkern zit maar in celonderdelen genaamd mitochondriën, en dat iets gemakkelijker uit oude botten en tanden is te halen. Dit ‘mtdna’ zit niet in zaadcellen, en gaat daarom alleen over van moeder op dochter: het markeert dus de vrouwelijke afstammingslijn, van moeder op dochter op kleindochter.

Groepen die dezelfde genetische mutatie dragen en dus in dezelfde bloedlijn vallen, vormen een ‘haplogroep’, in de regel aangeduid met een letter. In Europa is bijvoorbeeld 10 procent drager van een mutatie waardoor ze in haplogroep ‘K’ vallen: de mutatie moet zo’n 16 duizend jaar geleden zijn ontstaan, vermoedelijk in het Nabije Oosten.

Van alle autochtone Europeanen is slechts 10 tot 20 procent nakomeling van de oorspronkelijke volksstammen

Duizenden jaren lang deelden stammen hetzelfde gebied, en toch hielden ze vast aan een heel andere leefstijl
Skelet van een vrouw uit de touwbekercultuur, ca. 2800 v. Chr., gevonden in Karsdorf, Duitsland. De witte rondjes zijn kralen van schelp

Zie ook het Duitse persbericht

Overgenomen uit de Volkskrant 13 oktober 2013
geschreven door Maarten Keulemans

[News]Verzamelaars leefden samen met boeren

Jager-verzamelaars en boeren leefden meer dan tweeduizend jaar samen in Europa.
Dat schrijven antropologen van de Johannes Gutenberg University Mainz deze week in Science.
Dit is opvallend, omdat onderzoekers tot nu toe dachten dat de verzamelaars snel verdwenen nadat er boeren kwamen. Tot 7500 jaar geleden waren alle Europeanen jager-verzamelaars.
Rond die tijd kwamen de boeren naar Europa, vanuit gebieden die we nu kennen als Syrië, Irak en Iran, zo bleek uit eerder genetisch onderzoek van dezelfde universiteit.
Vanaf 7500 jaar geleden zijn er bovendien weinig overblijfselen van de jager-verzamelaars gevonden. Men nam dus aan dat de verzamelaars waren uitgestorven of dat ze boeren waren geworden. Uit het nieuwste onderzoek blijkt echter dat ze hier nog tot 5000 jaar geleden leefden, veel langer dan tot nu toe werd aangenomen.

Kinderen
Vrouwelijke verzamelaars trouwden wel met boeren, maar andersom trouwden er geen boerinnen met verzamelaars. Boerinnen wilden geen relatie met een verzamelaar, omdat ze met boeren meer kinderen konden krijgen.
De vraag is welke invloed beide bevolkingsgroepen hebben op de genen van de huidige Europese bevolking. Ook daar formuleerden de antropologen een antwoord op. We blijken zowel van de jager-verzamelaars als de boeren af te stammen, al blijft het een raadsel hoe en in welke mate hun genetisch materiaal met elkaar gemengd is.

Voor een uitgebreidere uitleg en het gepubliceerde artikel zie hier of meer recent deze of deze.

Door: NU.nl/Desiree Hoving

Abstract van het Science Artikel (Bramanti et al 2009)
After the domestication of animals and crops in the Near East some 11,000 years ago, farming had reached much of central Europe by 7500 years before the present. The extent to which these early European farmers were immigrants or descendants of resident hunter-gatherers who had adopted farming has been widely debated. We compared new mitochondrial DNA (mtDNA) sequences from late European hunter-gatherer skeletons with those from early farmers and from modern Europeans. We find large genetic differences between all three groups that cannot be explained by population continuity alone. Most (82%) of the ancient hunter-gatherers share mtDNA types that are relatively rare in central Europeans today. Together, these analyses provide persuasive evidence that the first farmers were not the descendants of local hunter-gatherers but immigrated into central Europe at the onset of the Neolithic.

Nieuws_Bandkeramiek-540x304

Documentaire Bandkeramiek | Mosasaurusfilm

In samenwerking met Archol, Museum Het Domein, het Rijksmuseum van Oudheden, Moerveld – praktisch educatief buitencentrum, Maaskant Wonen en de Gemeente Stein realiseerden Mosasaurusfilm en KF InHeritage de korte documentaire Bandkeramiek.

 

Bekijk de trailer hier:

Zo’n 13.000 jaar geleden vond er in het Midden-Oosten een revolutionaire gebeurtenis plaats: mensen gingen voor de eerste keer permanent op één plek wonen. Voor die tijd trokken alle mensen op aarde als nomaden door het landschap. Nu werden ze boer. Deze eerste boeren verspreidden zich door Europa over een periode van duizenden jaren. 7.000 jaar geleden kwamen ze ook aan in Nederland. Of meer precies, in het tegenwoordige Limburg.

Mysterie
De Bandkeramiek heeft in Limburg maar heel kort bestaan: ca. 300 jaar, oftewel 10 generaties. Twee tot drie generaties voor het einde is er nog een behoorlijke bevolkingsgroei maar vanaf 4.950 voor Christus vinden we geen sporen meer. Wat is er gebeurd waardoor het volk van de Bandkeramiekers zo plotseling van de aardbodem verdween…?

Archeologische opgravingen
De bandkeramische nederzetting van Elsloo (L) is met ruim 95 gebouwen en vele honderden grote kuilen/structuren de grootste opgegraven nederzetting uit het Vroege Neolithicum van Nederland. De combinatie met een uitgestrekt grafveld dat deels kon worden onderzocht maakt de vindplaats uniek in zijn soort en daarmee kan de vindplaats beschouwd worden als een typesite voor deze periode in onze geschiedenis. Het onderzochte deel van de nederzetting bestond uit de paalsporen en wandgreppels van gebouwen (huizen) van diverse formaten, grote kuilen langs de huizen (langskuilen), verschillende clusters grote kuilen waarvan de functie niet altijd duidelijk is, nederzettingsgreppels en silo’s (opslagkuilen voor granen e.d.).

Het onderzoek naar de bandkeramische nederzetting te Elsloo startte in 1958. Tussen 1958 en 1967 is onder leiding van prof. dr. P. Modderman een groot deel van de bandkeramische nederzetting te Elsloo (Koolweg) opgegraven. Hierbij is de vondstrijke bovenzijde van de sporen selectief onderzocht. In 1966 werd ten noorden van Burg. De Witstraat een (deel van een) begraafplaats uit dezelfde periode opgegraven, bestaande uit 113 graven, waaronder 47 crematie- en 66 inhumatiegraven.

In 2006 zijn ten behoeve van fase I Elsloo-Riviusstraat, een woningbouwproject van Stichting Maaskant Wonen, aansluitend aan het onderzoeksterrein van Modderman sporen gevonden van acht bandkeramische huizen en de daarbij naastgelegen langskuilen aangetroffen. Eveneens zijn twee grote kuilencomplexen aangetroffen waar verschillende silokuilen waren uitgegraven die een speciale activiteitenzone binnen de nederzetting vertegenwoordigden.

Op 31 juli 2012 is fase II Elsloo Riviusstraat van start gegaan. De gehele maand augustus is een aanvullend stuk in het centrum van de nederzetting opgegraven. Naar verwachting worden minimaal 12 bandkeramische huizen met bijbehorende kuilen en vondsten aangesneden en opgegraven.

Expeditie Limburg
Expeditie Limburg – ontdek het verleden is een TV- en internetserie van filmmaker Robin Peeters en cultuurhistoricus Kris Förster. De productie is in handen van Mosasaurusfilm. De serie beslaat veel onderwerpen: cultuur, folklore, geschiedenis, mensen, mysteries, natuur, wetenschap en meer. Bandkeramiek is een aflevering uit Expeditie Limburg en vormt tevens de basis van een in ontwikkeling zijnde lange documentaire over de Bandkeramische cultuur.

EAA logo_small

Odyssee naar Pilsen (Tsjechië)

Komende week gaat het Europees Archeologie Congres (EAA) van start in Pilsen. Vanuit de Odyssee wordt een sessie georganiseerd en zullen ook twee lezingen worden verzorgd. Het volledige programma en de abstracts zijn hieronder weergegeven:

 

Programma
08:30–08:50 A36.01: In between LBK worlds: The Mosel area through the Luxemburg case study by Anne Hauzeur (National Center of Archaeological Research, Luxembourg)

08:50–09:10 A36.02: House, Household and Village in the LBK in Little Poland by Lech Czerniak (University of Gdansk, Poland)

09:10–09:30 A36.03: Storage pits, graves and cult features within longhouses. New aspects of LBK house characteristics (in Little Poland). by Adriana Badtke (University of Gdansk, Poland)

09:30–09:50 A36.04: What the large LBK longhouse means and what happened after LBK boom in Central Europe? by Jaromír Beneš (University of South Bohemia, Czech Republic), Václav Vondrovský (University of South Bohemia, Czech Republic)

09:50–10:10 A36.05: This land is your land, this land is my land. Is there uniformity in the Dutch Bandkeramik settlement patterning? by Ivo van Wijk (Archeological Research Leiden (ARCHOL), The Netherlands)

10:10–10:30 Discussion

10:30–11:00 Coffee break

11:00–11:20 A36.06: Linking Lithics. Interpreting flint raw material diversity in the Dutch Linearbandkeramik (LBK) by Marjorie de Grooth (retired, Germany)

11:20–11:40 A36.07: Flint, obsidian and radiolarite: distribution of the stone raw materials in early farming societies of Lesser Poland by Jarosław Wilczyński (Institute of Systematics and Evolution of Animals, Polish Academy of Sciences, Poland)

11:40–12:00 A36.08: Regional and social diversity of earliest LBK in southwestern Germany by Hans-Christoph Strien (Johannes Gutenberg-Universität, Germany)

12:00–12:20 A36.09: Your mother smelled of elderberries: the changing role of ‘hunter-gatherer’ ceramics in an LBK context by Daniela Hofmann (Universität Hamburg, Germany)

12:20–13:00 Discussion

13:00–14:00 Lunch break

14:00–14:20 A36.10: Tracing new lines of development: a technological study of the Linearbandkeramik and Blicquy/Villeneuve-Saint-Germain ceramic assemblages from Hesbaye (Belgium) by Barbara van Doosselaere (University of Namur-FUNDP/University of Paris 1-UMR 8215, Belgium), Louise Gomart (Loránd Eötvös University – ELTE, Hungary), Laurence Burnez-Lanotte (University of Namur-FUNDP/University of Paris 1-UMR 8215, Belgium)

14:20–14:40 A36.11: A matter of degree: investigating LBK diversity through isotopic analysis by Penny Bickle (University of Bristol, UK)

14:40–15:00 A36.12: Burial architecture at the end of the western Bandkeramik (Paris basin): innovation or a common pattern? by Corinne Thevenet (UMR 8215-Trajectoires, France)

15:00–15:20 A36.13: Ritual-burial complex of LBK in Niezvisko on the Dniester, the western Ukraine by Maciej Dębiec (Pracownia Archeologiczna “Obsydian”, Poland)

15:20–15:40 A36.14: Diversity in ritual practices at the end of the Linear Pottery Culture (Linienbandkeramik) by Andrea Zeeb-Lanz (Generaldirektion Kulturelles Erbe Rheinland-Pfalz, Germany), Fabian Haack (Generaldirektion Kulturelles Erbe Rheinland-Pfalz, Germany)

15:40–16:00 Discussion and synthesis

 

abstracts can be downloaded here.

[News] Of muck and men

Is de löss wel zo vruchtbaar als we denken of hadden de Bandkeramiekers toch hulpmiddelen om een goede oogst binnen te halen. De laatste jaren komen gegevens naar voren die er op wijzen dat de akkers werden bemest. Dit heeft nog al wat consequenties voor onze gedachten over de bandkeramiekers. Mest moet namelijk verzameld worden en daarvoor moet je vee bij elkaar staan in plaats van ergens op een andere locatie in alle vrijheid geweid.

Onderstaand artikel gaat in op de vondst van mest in de oudste boerengemeenschappen.

Tracing the spread of agriculture into Europe so many thousands of years after it happened is among the biggest challenges facing archaeologists. But the chemical signature of the manure early farmers spread on their land remains to this day. Amy Bogaard describes how her team found it. As any gardener knows, animal manure does a brilliant job of keeping soils rich in nutrients and easy to work. Though chemical fertilizers are now widely used, manuring still plays a critical role in food production in many parts of the world today. But was it always so important? The Crop Isotope Project is the first attempt to systematically assess the importance of manuring in early farming communities, dating back thousands of years – and the results have been, well, ground-breaking. Archaeologists know where and when the ‘ingredients’ of European farming emerged – around 10,500 years ago in the Middle East’s Fertile Crescent – and we have a good grasp of how agriculture then spread into Europe. But what was early farming like? How were crops grown and animals raised? This kind of understanding is crucial for explaining how farming emerged and became established, as well as its long-term consequences. In the Middle East, growing crops and herding animals emerged at around the same time. Furthermore, the early suite of crops and livestock (wheat and barley, pulses and flax, together with sheep, goats, pigs and cattle) went on to spread together across Europe. This combined crop-and-livestock ‘package’ hints at some sort of mixed farming.

The spread of muck-spreading

Looking at how modern small-scale farmers do things shows that cultivation and herding can be mutually beneficial: crops supplement the animal diet, for example, while livestock provide manure, disturb the soil and regulate crop growth. Importantly, manure has a ‘slow-release’ effect on soils and can be beneficial for years or even decades after application; it implies long-term commitment to cultivated areas. This kind of long-term investment is at odds with the idea that early European farmers were slash-and-burn cultivators. The analogy with this form of farming, best known today in tropical latitudes, is problematic at best, but it lingers in the archaeological literature and popular imagination. If, instead, early farmers maintained arable land through manuring and other intensive practices, the implications for our understanding of their daily life, material culture and monuments are radical.

The author at an experimental site near Aleppo, Syria.

The author at an experimental site near Aleppo,
Syria.

The image of early farmers carefully tending long-established gardens and fields brings into focus a world-view that gave rise both to spectacular statements of permanence and ancestral rights – such as British and Irish megalithic tombs – but also to brutal conflict. This is reflected, for example, in the ‘mass grave’ of an early farming community at Talheim in Germany, killed by assailants wielding stone axes like those used to clear farmland. To assess the relevance and extent of manuring among early farmers, we needed to learn to identify it archaeologically. Agricultural soils are rarely preserved, so the primary evidence for ancient cultivation comes from crop remains – grains and inedible plant parts (‘chaff’) preserved mostly through charring, which renders the material biologically inert but preserves its shape. Food science, a discipline far removed from archaeology, provided the key clue: an approach used to authenticate organic produce! Previous research showed that mineral fertilizer and farmyard manure have different effects on which forms of nitrogen get incorporated into the soil and taken up by crops. Nitrogen comes in different forms, called ‘isotopes’. Mineral nitrogen is rich in the lighter stable isotope (14N), whereas farmyard manure has more of the heavier form (15N). Food scientists use this contrast to identify fertilizers applied to vegetables, to ensure that only ‘organic’ manures were used on produce that’s labeled organic. We focused on seed crops grown by farmers of the Neolithic and the Bronze Age periods – and on how manuring affected their isotope ratios. To assess these relationships, we collected modern crop material from experimental stations across Europe, including Rothamsted in Hertfordshire, set up our own experiments – at Sutton Bonington near Nottingham and in Syria, near Aleppo – and visited regions where crops are still grown in traditional ways, including Asturias in Spain, Transylvania in Romania and Evvia in Greece.

Grains of truth

Our results left no doubt. Intensive manuring has a dramatic effect on nitrogen isotope signatures in both grain and chaff of wheat and barley; moderate manuring has a correspondingly modest effect. This means we can tell how much manure was applied, if any, from nitrogen isotopes in cereals. Pulses like peas and lentils work differently: they fix nitrogen from the atmosphere, so manuring has a comparatively slight impact on their isotope ratios. Since crop material is mostly preserved by charring, a further challenge was to establish how this affects nitrogen isotopes. By experimentally charring and then burying modern cereals and pulses, we have found that the effect is modest and predictable. Finally, to remove contamination in ancient crop material introduced over thousands of years in the soil, we adapted methods used to clean charred plant material before radiocarbon dating.

Amy Styring sampling crops at Rothamstead

Amy Styring sampling crops at Rothamstead

All this set the stage for assessing archaeological crop material. As the results have rolled in, our excitement has grown: archaeological site after archaeological site returned results showing the pervasiveness of manuring in Neolithic farming communities as well as in later, often much more complex, Bronze Age societies. In prehistory, as today, manure was in short supply, so it had to be used strategically where it could yield the greatest benefit. Unsurprisingly, therefore, the signals we observe are variable – even, for example, in crops that were harvested in a single year before being destroyed by a catastrophic fire in the storehouse of a Bronze Age community in northern Greece. In fact, there’s as much variation as we saw in the villages where we sampled modern crops. Our results suggest that, while early farming practice was geared towards sustainability, the ‘long-term investment’ of manuring encouraged families to claim ownership of land, with social consequences culminating in the fixed inequalities of some hierarchical Bronze Age societies. The story doesn’t end there. The very isotope ratios in crops that are affected by manuring will, in turn, affect the long-term formation of nitrogen isotope signatures in the tissues of human and animals that eat them. Stable nitrogen (along with carbon) isotope ratios are routinely extracted from ancient bone to determine the nature of the diet. Particularly relevant here, differences in nitrogen isotope ratios between humans and associated animal remains are generally interpreted as evidence of their relative position in the food chain – the heavier (15N) isotope gets more common as you move up from prey to predators. The plants people eat, and their livestock or hunted prey, are normally assumed to be isotopically identical, but our modern crop results suggest this is unlikely, for two reasons. First, manuring creates a disparity between the nitrogen isotopes of crops and those of unmanured wild vegetation. Second, we found systematic differences in isotope values between grain and chaff and other plant parts, which are inedible to humans but can be fed to livestock. In fact, people and livestock feeding on the same cereal crops but consuming grain and chaff, respectively, would seem to sit around one step apart in the food chain, the grain giving the humans who eat it higher 15N values. Isotopic analysis of archaeological plant remains alongside those of humans and animals would let us reconstruct ancient diets much more reliably. To do this, we are working to integrate botanical, animal and human isotope values from selected archaeological sites. We have already discovered that early farmers ‘invested’ in their plots through manuring. This technologically simple but labour-intensive practice bound cultivation and herding together in resilient forms of small-scale mixed farming. This sustainable kind of agriculture made possible the decisive and irrevocable shift away from hunting and gathering. By the end of our project, we hope to have transformed our understanding of how our ancestors farmed, ate and lived. But there’s still a huge amount to learn about early farming and the role of manuring. Can we discern distinctive regional trajectories in the way agriculture interacted with ecological and social factors over the long term? Were early elites linked with change in agricultural techniques or was there a continuing reliance on small-scale mixed farming, including manuring? We now have the ‘toolkit’ of methods to find out.

MORE INFORMATION Dr Amy Bogaard is a lecturer in Neolithic and Bronze Age archaeology at the University of Oxford. Other members of the project team – Michael Charles, Richard Evershed, Rebecca Fraser, Tim Heaton, Glynis Jones, Amy Styring and Michael Wallace – also contributed to this article.
copied from: http://planetearth.nerc.ac.uk/features/story.aspx?id=1001

 

 

[News] Farming in Iran 12,000 years ago

Voordat de Bandkeramiek en daarmee de landbouw in Nederland werd geïntroduceerd, ging daaraan een lang proces vooraf die start in het Midden Oosten zo’n 12 000 jaar geleden. Onderstaand een artikel over de introductie van landbouw in deze beginperiode:

Archaeologists digging in the foothills of Iran’s Zagros Mountains have discovered the remains of a Stone Age farming community. The findings offer a rare snapshot of a time when humans first started experimenting with farming. They also show that Iran was an important player in the origin of agriculture.
Based on the suggestion of an Iranian colleague, archaeologist Nicholas Conard of the University of Tubingen began excavating a mound about eight meters high. The sediments were rich with artefacts. “Sculpted clay objects, clay cones, depictions of animals and humans,” says Conard.
There were stone tools that looked like sickles, and mortar and pestles, and grains and seeds – hundreds of them. Conard’s colleague Simone Riehl confirmed the grains were varieties of lentils, barley and peas. She also identified a range of nuts and grasses, and Emmer wheat – commonly grown in later centuries throughout the Middle East – but most of the grains Riehl looked at were pre-agricultural.
12,000 years ago, says Riehl, “They were cultivating what we consider wild progenitors of modern crops”. However, Riehl’s samples spanned a period of 2,000 years, and the younger samples – about 10,000 years old – did show the first signs of domestication.
Melinda Zeder, curator of old world archaeology at the Smithsonian Museum of Natural History, says scientists had thought agriculture arose in the western parts of the Fertile Crescent – a region that includes Iraq, Turkey, Syria, Jordan and Israel. Iran is on the eastern edges of the Crescent, and was thought to be “a non-player in the history of agriculture”. The new study proves otherwise, she says – communities across the Fertile Crescent started experimenting with farming around the same time.

Edited from NPR.org (5 July 2013)

 

Detailopname maquette