Nu er alweer een nieuw seizoen van ‘boer zoekt vrouw’ begonnen is, lijkt het succes van agrariërs bij het doorsnee Hollandse publiek meer dan gevestigd. Toch is het de vraag of enkel romantiek en de charmante persoonlijkheid van Yvon Jaspers daar een spil in zijn. Boeren kunnen dat heel goed zelf, zo, om wat ze zijn.

Dat dat ook voor boeren uit het verleden geldt wisten we natuurlijk binnen het project en één van de taken waaraan we ons binnen het project gecommitteerd hebben is dan ook die van publiekscommunicatie. Daartoe dient niet alleen deze blog (en straks de nog mooiere website), maar ook een tentoonstelling die afgelopen zaterdag officieel is geopend. De tentoonstelling heet ‘De eerste boeren. Nieuw onderzoek naar de bandkeramiek in Nederland’ en is te zien in de Muzezaal van het Rijksmuseum van Oudheden tot en met 25 november aanstaande (http://www.rmo.nl/tentoonstellingen/de-eerste-boeren).

;

We hopen in deze presentatie een dubbelslag te slaan. Enerzijds willen we aspecten van het Odyssee onderzoek presenteren, anderzijds de bezoeker ook kennis laten maken met de bandkeramische cultuur en het belang van deze fase voor de ontwikkeling naar onze huidige samenleving. Daartoe hebben we een aantal vitrines ingericht. Een deel betreft facetten van hetgeen ons de afgelopen maanden heeft bezig gehouden. Zo is er een vitrine over het archiefonderzoek, met de oudste foto van LBK aardewerk in Nederland en het zwierige handschrift van dr. Goossens. Ook hebben we nog een oude Rolleicord camera uit de diepten van het museum opgevist. Mogelijk dat Holwerda ooit door deze lens gekeken heeft. Een tweetal andere vitrines belichten het aardewerk en vuursteen onderzoek. Scherven van verschillende nederzettingen worden getoond, evenals Limburg en La Hoguette aardewerk en we hebben ons best gedaan een mooie set bandkeramische werktuigen te presenteren, naast een aantal verschillende grondstoffen. Het nederzettingsverhaal wordt gesymboliseerd door de opgraving van Maastricht-Klinkers, met de veelzijdige Prunkkeramik als stijldoorbrekende en ietwat ontheemde vondsten. Deze worden kracht bijgezet door een foto afkomstig van de University of Washington Libraries met een potlatch ritueel bij de Kwakiutl indianen, waarbij we (subtiel) suggereren dat iets gelijkaardigs de hoeveelheid en verscheidenheid aan vondsten in kuil 1 h zou kunnen verklaren.

;

De meer gekende zijde van de LBK konden we natuurlijk prachtig vormgeven met de rijke collectie van het RMO zelf. We hebben een keur aan potten tentoon gesteld, evenals de bijzondere figurines uit Sittard die lange tijd niet te zien waren. Het leek ons ook een goede gelegenheid eens te tonen hoeveel dissels er uit Elsloo komen (al zijn ze dit natuurlijk niet allemaal). In combinatie met de Papoea dissels die we als bruikleen ontvingen konden we zelfs een motief maken dat in de verte de versiering op het aardewerk reflecteert (zie foto). Topstuk blijft echter de maquette van Elsweiler gemaakt door Baldi Dekker (1984). De zorg die aan deze maquette (gemaakt voor de RMO/Bonnefanten tentoonstelling ‘Op goede gronden’) is besteed maakt dat deze qua impact en inhoud nog steeds een echte eye-catcher is waarbij je meer dan één verhaal kan vertellen. Daags na de inrichting stond er dan ook al een grote schoolklas geïnspireerd omheen, rondgeleid door één van de RMO gidsen.

;

De tentoonstelling eindigt met een voorschot op de resultaten van het onderzoek. Daarbij valt het belang op van het boven water halen en opnieuw bekijken van oude opgravingsgegevens. Nieuwe technieken en kennis zorgen nu voor een veel completer beeld van de LBK in het Limburgse. Dat biedt context aan de gekende nederzettingen, maar roept ook nieuwe vragen op, vooral over verschillen in grondstoffen, technologie, uitwisseling en bewoningsdynamiek aan de linker- en rechterzijde van de Maas en de relatie met de Belgische clusters in het westen.

;

Al met al blijkt wederom dat de boeren van de LBK na 7000 jaar nog steeds glansrijk een confrontatie met het publiek doorstaan. Dat ligt natuurlijk aan hun aantrekkelijke materiële cultuur en aan de manier waarop hun levens- en woonwijze inzichtelijk gemaakt kan worden. Hoewel we steeds meer diversiteit aantonen is de uniformiteit, herkenbaarheid en maakbare wereld van de LBK nog steeds een duidelijk richtpunt voor visualisatie en communicatie. Niet in de laatste plaats denk ik echter dat het ook te maken heeft met waar de LBK voor staat. In veel vormde zij een afscheid van de manier waarop onze soort honderdduizenden jaren lang heeft overleefd. In veel ook vormden deze boeren een nieuw begin, met aspecten van een bestaan dat ons heden ten dage ook nog vele malen meer als herkenbaar tegemoet treedt. In dat licht blijkt dat die aantrekkingskracht van de LBK er misschien één die kan wedijveren met die van ‘boer zoekt vrouw’. In beide gaat het om boeren, maar zeker ook om de kernzaken van ons bestaan.

We zijn blij dat de tentoonstelling er is en dat ze door een investering vanuit ons project en een extra investering vanwege het RMO nu een kleine, maar zeker volwaardige tentoonstelling is geworden. Komt dus allen kijken!!!

;

Nu de tentoonstelling er staat willen we langs deze weg nogmaals iedereen bedanken die zijn steentje (of brokje huttenleem?) daaraan heeft bijgedragen:

Concept en samenstelling

Rijksmuseum van Oudheden

Archol BV

;

Ruimtelijke vormgeving

Van Rosmalen & Schenk

;

Bruiklenen

Gemeente Maastricht

Provinciaal depot bodemvondsten Limburg

Limburgs Geschied- en Oudheidkundig Genootschap

Fred Brounen

Wim Hendrix

Harry Vromen

;

Vertalingen

Jackson Academic

;

Animatie

Cheesehead Animations, met tekeningen van Paul Maas

Tekeningen

Paul Maas

;

 

;

Het is alweer enige weken geleden dat Ivo, ondergetekende en onze stagiaire Tamara gedrieën in de auto stapten zuidoostwaarts. Doel van onze toch was Bad Münstereifel en een andere projectgenoot, dr. Marjorie de Grooth. Onderweg passeerden we oostwaarts van onze eigen gemoedelijke Graetheidecluster in de rollende Limburgse heuvels en even later zagen we op de snelweg aan onze linkerkant de grote machines van de Tagebau ten teken dat we inmiddels ook de buren van de Aldenhovener Platte voorbij waren. Hoewel het weer allereerst niet meespeelde, kon bij aankomst de lieflijke Eifel ons toch wel zeer bekoren, evenals de hartelijke ontvangst door Marjorie en haar hond Brüno.

Voor degenen die daarvan nog niet op de hoogte waren, Marjorie is binnen (en buiten) ons project een van dé vuursteenspecialisten voor de zuidelijke Nederlanden en de komende drie dagen zouden we met zijn vieren trachten om een flink stuk van het vuursteen van Maastricht-Klinkers voor onze rekening te nemen. Het doel daarvan was tweeledig. Enerzijds voortgang maken met de analyse-fase van dit deelproject, want binnenkort moet er geschreven worden. Anderzijds kennisoverdracht, een van de speerpunten van de Odyssee-aanvraag. Dat laatste begon al op de eerste dag met een (niet zo) mini-college over de vuursteensoorten uit het Krijtgebied. Aan de hand van de geweldige lithotheek, verzameld door een aantal enthousiaste vuursteen-archeologen, kregen we een hands-on introductie in de vuursteensoorten die door de LBK’ers in onze streken gebruikt werden. Nu zagen en beoordeelden we vuursteen natuurlijk niet voor de eerste keer en ten dele was het dan ook een hernieuwde kennismaking (opfris-ervaring) met een aantal oude bekenden, zoals de vuursteen van Lanaye met als bekendste protagonist de Rijckholt vuursteen. De eluviale Banholtvuursteen, Rullen vuursteen, de Valkenburg vuursteen uit de kalksteen van Emael, maar ook Haspengouw, of Belgisch lichtgrijze vuursteen en Zevenwegen vuursteen. Frustrerende, maar daardoor ook des te belangrijker was de inzichtelijke wijze waarop Marjorie ons met de diverse pitfalls en moeilijkheden confronteerde. Stukken die misschien Valkenburg lijken maar het niet zijn, keuzes tussen Rijckholt of misschien een minder geslaagd stukje Haspengouw en zijn alle kenmerken voor Banholt vuursteen wel aanwezig, of toch maar in de vergaarbak van Lanaye? De onzekerheid betrof niet alleen de vuursteensoorten, maar ook overige kenmerken, gerolde cortex of vers, glans of niet, intentionele retouche, etc.

De twijfel op de eerste en tweede dag was in die zin erg gezond. Het leerde ons dat de determinatie van vuursteen af en toe eenvoudig lijkt, maar dat zelden is. Het is vooral het zien, vergelijken en gevoeld! hebben van veel materiaal, en dus jarenlange ervaring, die het inzicht verschaffen dat nodig is om een oordeel te vellen over alle twijfel. In dat opzicht hebben we in drie dagen van Marjorie veel mogen leren en hopen we van harte dat die kennis beklijft. Daarnaast zijn we ook een stuk opgeschoten met Klinkers en vooral ook met het enigmatische vuursteen uit kuil 1h. Er duiken inmiddels allerlei interessante patronen op met betrekking tot de verschillende accenten in vuursteengebruik tussen nederzettingen en het al dan niet anders zijn van patronen op de linker- en rechter Maasoever. Helaas moeten we op het definitieve verhaal nog even wachten, maar dat zal vast de moeite lonen!

Ondertussen zijn we zelf aan de slag gegaan met nog enkele dozen vuursteen uit Maastricht-Belvedere. Afgelopen week hebben we daar de eerste doos van verwerkt en hoewel we natuurlijk genoeg ‘splijtstukken’ hadden, waarbij we over de toekenning konden ruziën kwamen we er na wat discussie meestal wel uit. De twijfel uit de Eifel, maar vooral ook de wijze lessen daar vormen daarbij een belangrijke basis waarvoor we bij deze onze projectgenoot nog eens hartelijk willen danken. Overigens is er van de hand van Marjorie onlangs een handig en inzichtelijk stuk (met beeldmateriaal op CD-ROM) verschenen over de verschillende zuidelijke vuursteenbronnen uit het Krijt tussen Luik, Tongeren, Aken en Maastricht (zie literatuurverwijzing).

 

Grooth, de., M. E. Th. (2011). Distinguishing Upper Cretaceous flint types exploited during the Neolithic in the region between Maastricht, Tongeren, Liège and Aachen, in J. Meurers-Balke and W. Schön. Vergangene Zeiten…. Liber Amicorum. Gedenkschrift für Jürgen Hoika.. Bonn, Dr. Rudolf Habelt GmbH: 107-130.

 

De XRF-metingen van onze collega’s van de RCE bleken een hoop vragen op te roepen en te duiden op een vrij dynamische samenleving, die allesbehalve rigide in elkaar zat. Nu is die kennis niet nieuw, Modderman schreef in 1988 al een artikel getiteld ‘Diversity in Uniformity’ dat benadrukt dat de LBK minder eenzijdig, uniform en conservatief is dan we denken. Anderzijds is het ook zo dat de LBK ten opzichte van andere (latere) neolithische groepen nog steeds ook een toonbeeld van herkenbaarheid zijn en dat er hoe dan ook sprake is van een samenleving waarin toch een heel aantal zaken (huizenbouw, aardewerkversiering, begrafenisrituelen) tenminste deels aan strakke culturele mores verbonden lijken (zie ook Sommer 2001). Die herkenbaarheid van de LBK heeft in het verleden wel eens rare vormen aangenomen. Zo liep ik een paar weken geleden in de Slegte aan tegen een dun boekje getiteld ‘Die ältere Kupfer-Steinzeit Palästinas und der bandkeramische Kulturkreis’ van de hand van Dr. Dr. Anton Jirku, van de universiteit Bonn. Het boekje is in 1941 uitgegeven in Berlijn. Het is duidelijk dat je in zo een uitgave met die titel niet de meest gangbare interpretatie van het verleden gaat vinden. Opvallend is dat het boekje voor het grootste deel bestaat uit een deel met afbeeldingen, waarin steeds links en rechts vaatwerk en andere artefacten uit de Levant, voornamelijk Teleitāt Ghassūl in Palestina, maar bijvoorbeeld ook Byblos in Syrië worden vergeleken met bandkeramisch aardewerk in de meest brede zin. De auteur groepeert onder LBK aardewerk ook tell aardewerk afkomstig uit Zuid-Europa (Vinča en andere vindplaatsen). De redenen voor deze merkwaardige combinatie komen in het kortere eerste deel ter sprake. Het doel van Dr. Dr. Jirku is namelijk aan te tonen dat er tussen de Kupfer-Steinzeit in Palestina en de bandkeramische Kulturkreis in Zuid-Europa nauwe banden bestaan. Daartoe onderscheid hij drie mogelijkheden, waarvan de eerste twee meteen worden verworpen. De eerste theorie gaat uit van het achterblijven van eenzelfde paleolithische bevolking in Zuid-Europa en Palestina, ‘aus deren rassischer Verlagung heraus sich ein solcher Paralleismus deuten liesse’. De twee de mogelijkheid betreft migratie vanuit Palestina naar Zuid-Europa, maar daarvoor ontbreken volgens de auteur alle historische aanwijzingen. De derde en uitverkoren these luidt: ‘So bleibt nur noch die Möglichkeit übrig, das starke, dem bandkeramischen Kreise angehörende Volksteile ihren Weg auch nach Palästina gefunden haben. Dies ist vornherein um so wahrscheinlicher, als solche Wanderungen der Bandkeramiker nach anderen Teilen des Mittelmeeres schon nachgewiesen. Vervolgens stelt Jirku dat, indien het lukt zijn derde these te bewijzen er voldoende aanwijzingen zijn om reeds in het 4e millenium v. Chr. (NB. Dit zijn de dateringen uit de jaren dertig, dus voor (gecorrigeerde) radiokoolstof dateringen) een niet-semitische migratie naar Palestina en Syrië aan te tonen en om, op basis daarvan en in tegenstelling tot Buttler en Childe, de vroegste wortels van de LBK zo een duizend jaar eerder te plaatsen. De erop volgende bewijsvoering geschiedt vooral visueel en wordt onderbouwd door teksten als ‘ein besonders schönen Parallelismus’ en ‘Irgenwelche Zusammenhänge lassen sich hier wohl nicht leugnen’ en ondersteund de these ‘dass die ältere Kupfer-Steinzeit Palästinas befruchtet wurde von einem Volksteil, der sich von der ältesten bandkeramischer Kultur loslöste und bis nach Palästina wanderte …Erstmals wäre damit erwiesen, dass Palästina schon am Beginn des 4. Jahrtausends v. Chr. Von nichtsemitischen Einwandern besiedelt wurde, deren Blut dort nicht mehr verloren ging.’ Daarnaast wordt daarmee ook de LBK met zo een duizend jaar vervroegd…

Het is er mij hier niet om te doen een karikatuur te schetsen van het soort onderzoek dat er voor en tijdens de oorlogsjaren door een deel van de Duitse archeologen in Nazi-Duitsland (en daarbuiten) werd verricht. Het moge duidelijk zijn dat de opvattingen en ideeën van de bij deze ideologie betrokken onderzoekers al vrij snel ook weer gedateerd waren (zie voor een goed perspectief op de Nederlandse archeologie in deze periode het proefschrift van Martijn Eickhoff). Mij was echter nog niet eerder een case-study bekend die zo duidelijk de bandkeramiek als onderwerp neemt. Opvallend vind ik ook de mate waarin de argumentatie er ‘aan de haren bij wordt gesleept’, iets dat een onderzoeker in die tijd toch ook niet helemaal serieus kon nemen. Afgezien van de visuele vergelijking in het beeldgedeelte van het boek, waarbij de Parallelismus soms toch wel erg basaal is (een komvorm, platte bodem, knobbeloor, of zelfs een maalsteen, komen op nog wel een paar plekken en in nog wel een paar culturen op min of meer dezelfde wijze voor) wordt en passant ook in een voetnoot genoemd dat er gebruik is gemaakt van juist de bandkeramische potten die nog geen spiral-mäander versiering vertoonden. Dit is gebaseerd op een vergelijking met vindplaatsen van de Vinča cultuur, zoals die van (Szomos Ujvar) in Roemenië, waar een laag met onversierde keramiek voorkwam onder een laag met versierd aardewerk. Jirku (pp.16) geeft daarbij wel aan dat hij het aan de prehistorici van Europa overlaat daar verdere conclusies uit te rekken. Een korte zoektocht op internet leverde weinig informatie over Dr.Dr. Jirku op, maar hij lijkt vooral te associëren te zijn met de archeologie van de Levant en de bijbel. Vooralsnog ben ik in de bandkeramische literatuur (wellicht niet toevallig) nog geen verwijzingen naar Dr.Dr. Jirku tegengekomen. Desalniettemin blijft het een vreemd voorbeeld van de manier waarop archeologie en in dit geval de LBK gebruikt wordt om politieke en nationalistische ideeën voor het voetlicht te brengen. In het geval van Jirku’s Parallelismus wellicht op weinig overtuigende wijze, maar in andere gevallen helaas veel sluipender.

Eickhoff, M. 2003. De oorsprong van het ‘eigene’. Nederlands vroegste verleden, archeologie en nationaal-socialisme, Boom, Amsterdam.

Jirku, A. (1941). Die ältere Kupfer-Steinzeit Palästinas und der bandkeramische Kulturkreis’, Walter de Gruyter & Co, Berlijn.

Modderman, P. J. R. (1988). “The Linear Pottery Culture: diversity in uniformity.” Berichten van de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek 38: 63-140.

Sommer, U. (2001). “Hear the instruction of thy father, and forsake not the law of thy mother,’ Change and persistence in the European Early Neolithic.” Journal of Social Archaeology 1(2): 244-270.

Tagged with:
 

Een paar weken geleden was het druk op de opgravingszolder van het RMO. Naast de gebruikelijke ‘crew’ (Ivo, Luc, Piet en Tamara) werden we ditmaal vergezeld door Hans Huisman en Bertil van Os van de RCE. Een paar dagen eerder was al een meettafel bij het museum afgeleverd inclusief een tweetal flessen vloeibare helium. Daaraan werd nog een hand-held XRF apparaat toegevoegd voor we op volle oorlogssterkte waren. Doel? Het schieten op scherven. Nu zijn die al kapot dus dit had een zuiver wetenschappelijk oogmerk.

Hoe werkt het (min of meer)?
Met een XRF-apparaat, XRF staat voor X-ray (röntgen) fluorescentie, kunnen bepaalde anorganische bestanddelen van objecten gemeten worden. Het gaat daarbij vooral om de elementsamenstelling, dus, bijvoorbeeld, de hoeveelheid koper, tin, lood, kalium of kobalt. Het apparaat vuurt gedurende een aantal seconden (vaak tussen de halve en anderhalve minuut) een röntgenstraal af. Door de intensiteit van de bundel te variëren worden de verschillende energiewaarden van zich in omloopbanen verplaatsende electronen in het object gemeten voor verschillende elementen. De verkregen waarden zijn typisch voor bepaalde atomen, waardoor aan het einde van de meting een samenstelling van het gemeten object wordt verkregen. Die samenstelling kan, na zorgvuldige analyse en met behulp van voldoende vergelijkingsmateriaal, ons iets vertellen over verschillende aspecten uit het verleden. Ons doel was in de eerste plaats te trachten inzicht te verkrijgen in mogelijke verschillen tussen gebruikte klei en magering voor verschillende typen aardewerk. Daartoe hebben we uit de verschillende vindplaatsen van het Odyssee-project een ruime sample genomen.

Eerste resultaten
Zowel bandkeramisch aardewerk van verschillende vindplaatsen, als ook scherven van La Hoguette aardewerk, Begleitkeramik en Limburg aardewerk werden in het sample meegenomen. Op dit moment is het te vroeg om de resultaten te duiden, maar enkele opvallende zaken kunnen reeds gemeld worden. Wat het bandkeramische aardewerk betreft waren de signalen aangaande de verschillende bestanddelen in de klei redelijk homogeen, maar was er onderling toch voldoende aanleiding om te suggereren dat er mogelijk verschillende kleibronnen gebruikt zijn en dat er ook variaties optreden in de bijmenging van de kleipasta. Nu is dat misschien niet zo verwonderlijk, maar in ogenschouw nemende dat de LBK vaak geschetst wordt als een eenvormige cultuur lijkt het erop dat daaronder toch misschien een breder spectrum aan keuzes schuilging. Dat gold nog meer voor de eerste indicaties aangaande de overige scherfgroepen. Deze bleken vaak binnen hun eigen groep variabeler van samenstelling, dan tussen de verschillende groepen onderling. Enerzijds is de herkomst hier een factor die dit voor een deel bepaald, de scherven kwamen nu eenmaal van verschillende vindplaatsen, maar anderzijds zegt het misschien ook iets over de verscheidenheid in tradities en de vrijheid in technologische en grondstof gerelateerde keuzes die er bestond.
Wellicht werd er in het vroeg Neolithicum op vrij diverse wijze aan technologische processen invulling gegeven. Dat is natuurlijk op de zaken vooruit lopen, maar het lijkt niet ondenkbaar dat de mate van interactie en uitwisseling van objecten en kennis, zowel tussen de boerengemeenschappen onderling, als in relatie tot andere, al dan niet aardewerk producerende groepen, wellicht best intens was. De XRF gegevens zijn nu nog zo groen als gras, maar de vragen die ze oproepen prikkelen in ieder geval wel de verbeelding.

Wordt vervolgd!

Tagged with:
 

Afgelopen week reisden Ivo, Piet en ik oostwaarts naar Bremen om aldaar deel te nemen aan de Arbeitsgemeinschaft Neolithikum op het 7e Duitse archeologiecongres. Hoewel de lezingen aldaar, met name gericht op het thema van het eindigen van culturele verschijningen, mooi aansloten op ons Odyssee onderzoek was het congres niet het enige dat ons zal heugen aan deze reis. Op de heenweg bezochten we namelijk ook Kalkriese, alwaar Varus 2002 jaar geleden gedurende drie dagen van intense gevechten zijn legioenen verspeelde alvorens zichzelf op zijn zwaard te werpen. Het museum rondom de Varusslacht had dan waarschijnlijk ook niet toevallig gekozen voor de nu lopende tijdelijke tentoonstelling ‘Tatort Talheim’.
De tentoonstelling vertelt het verhaal van een moordpartij die zich zo een 5000 jaar voor de Varusslag afspeelde in de buurt van Talheim, Neckarraum. Daar werden in korte tijd 34 mensen op brute wijze vermoord, waaronder 16 kinderen. De daders waren vermoedelijk eveneens bandkeramiekers uit dorpen in de buurt. De lichamen zijn uiteindelijk in een grote kuil gedumpt en werden pas in 1983 ontdekt door de Landwirt Everhard Schoch toen deze in zijn groententuintje aan het spitten was. Het daarop volgende onderzoek van de archeoloog Wahl bracht de spectaculaire vondst pas echt aan het licht. Daarbij speelde het uitzonderlijk nauwkeurige fysisch antropologische onderzoek en de DNA-verwantschapsanalyse een belangrijke rol. Niet alleen de relatie tussen de slachtoffers kon zo worden vastgesteld, maar, ook vaak tot in het pijnlijkste detail, de wijze waarop ze hun laatste minuten beleefden.
Als doorgewinterde LBK-fanatici waren we natuurlijk bekend met Talheim en blij verrast de tentoonstelling op de heenweg mee te kunnen pikken, maar na het zien van de tentoonstelling was de sfeer in de auto toch wat minder uitbundig… en terecht. Tatort Talheim weet op een gepaste, maar indringende wijze duidelijk te maken wat er zich in die uitbarsting van geweld afspeelde. Leidraad vormt daarbij het tegenwoordig poulaire CSI-achtige kader, voorgesteld door een Tatort met lampen en linten rondom de opgravingsplattegrond. Deze wordt omzoomd door de vondsten, zoals dissels en botmateriaal, waarbij de schedels met disselinslag redelijk confronterend zijn. Lopend door de tentoonstelling ontdek je echter langzaamaan dat het niet een abstracte aflevering van Bones of CSI is waar je doorheen loopt, maar iets dat echt gebeurd is, met echte mensen. De makers hebben die snaar mijns inziens op een evenwichtige wijze weten te raken door nergens bloed, geweld en spektakel de hoofdtoon te laten voeren, maar juist subtiliteit. Langzaamaan ontwaar je rondom je in de zaal 34 individuen, kinderen, vrouwen, mannen, bejaarden. Het zijn rode silhouetten, abstract. Kom je dichterbij dan hebben ze allemaal een documentatielabel. Ze hebben een nummer, geen naam, maar wel ineens een leeftijd, een postuur, indicatie van gezondheid en wijze van overlijden. Bijvoorbeeld een jonge vrouw (84/4) van 20 jaar en 1,59 m lang met tandsteen en groeistoornissen, waarschijnlijk echtgenote van 84/2+83/16, (familie 1), 3 keer op het achterhoofd geslagen. Een man van 60 (83/3A), met zes zonen en vier kleinkinderen, slag op het achterhoofd. Of een kleuter van 3 jaar oud (84/24), 0,59 m lang en met enigszins scheve tanden en een vitamine C tekort, eveneens met ingeslagen schedel. In enkele gevallen worden de laatste ogenblikken nog extra benadrukt doordat de fysisch antropologische analyse de opeenvolgende handelingen die fataal waren heeft kunnen reconstrueren, de zogenaamde Tathergang. Daaruit bleek de agressie van de aanval en het lijden van de slachtoffers, zonder dat dit pathetisch of spectaculair wordt benadrukt.
Aan het eind deed de tentoonstelling dus waarvoor ze gemaakt is; de bezoeker de boodschap geven dat geweld niet iets is van ons tijdperk, maar veel eerder van ons als mens. Zo verandert Talheim het lang geldende beeld van vredig naast elkaar levende Neolithische samenlevingen in iets dat helaas dichter bij onze werkelijkheid staat dan we misschien gemakkelijk vinden.

De tentoonstelling staat nog to 8 januari. Mocht u in de buurt zijn ga dan zeker even kijken.

http://www.kalkriese-varusschlacht.de/varusschlacht-ausstellung/aktuelle-sonderausstellung/tatort-thalheim.html

http://de.wikipedia.org/wiki/Massaker_von_Talheim

Tagged with:
 

Archeologen zijn altijd op zoek naar superlatieven. De oudste werktuigen, de eerste bewoning van een gebied, de 100e LBK boerderij in Elsloo, de grootste dissel, de kleinste microliet en ga zo maar door. De echte informatie zit vaak veeleer verscholen in de normale vondsten, in de noeste patronen die door veelvuldig graven, analyseren en documenteren tevoorschijn komen, die op het eerste gezicht lang niet altijd spraakmakend lijken en waar vaak bloed, zweet en tranen aan ten grondslag liggen. Zo ook afgelopen week. In de regenachtige nazomer ontbrak nogal eens de reden naar buiten te trekken en in het kader van het Odyssee project verschansten Ivo en ik ons dan ook enkele dagen in de bieb van het RMO om daar op zoek te gaan naar documentatie en correspondentie over de opgravingen die het team onderzoekt. Trouw aan deze bijdrage zal ik dan ook niet ingaan op de informatie die we gewonnen hebben, op de schetsen die hopelijk wat licht in de duisternis werpen, of op de verwikkelingen tussen RMO, correspondenten, regionale notabelen, opgravers, verplaatste vondsten, bovenmoerdijkse arrogantie en provincialisme, maar op een van de superlatieven, die, onder een roestig paperclipje van inmiddels zo een 85 jaar oud aan een brief zat gehecht.

De brief betreft er een van RMO correspondent en rijksarchivaris dr. Goossens aan zijn goede vriend directeur Holwerda van het RMO, gedateerd 18 maart 1926. ‘Ik was precies van plan U heden te schrijven, toen ik Uw brief ontving. Alles gaat wel…’ Hij vervolgt met te melden dat zijn opgravingen in het Romeinse castellum en de pandtuin van de O.L. vrouwenkerk (te Maastricht?) niet ideaal verliepen, onder meer door de haast die geboden was omdat er bloemperken zouden worden aangelegd. De inderhaast aangelegde sleuf stortte ook nog eens een keer in. Beter nieuws is er voor de op handen zijnde opgravingscampagne, waarbij het RMO en het Limburgs (geschied en oudheidkundig) genootschap elkaar al een tijdje financieel en opgravingstechnisch vinden. Goossens nodigt Holwerda uit: ‘Wat Belvédere betreft, voor het regelen van het onderzoek aldaar zult u zelf eens moeten overkomen. Dat was trouwens ook uw plan meen ik? Het terrein is uitgestrekt en de vondsten zijn zoo verschillend dat U persoonlijk vantevoren moet gezien hebben om een “plan de campagne” in elkaar te zetten.’ Hij vervolgt met: ‘Ik zend u hierbij een foto, die ik als proef had laten maken van een der typische scherven en van 3 krabbers uit het gat dat ik in Oct. j.l. ontgroef.’

Daar, tussen de regels door staat het dan, een superlatief van de bovenste plank, verwijzend naar een kleine vierkante opname onder voornoemde paperclip. Vooralsnog staan wij ons er in het project op voor de oudste foto van Bandkeramisch aardewerk gevonden te hebben (en meteen de oudste foto van drie Bandkeramische krabbers). Op de achterkant van de foto staat Maastricht-Belvédere, Oct. 1925. Misschien niet zo een belangrijke, maar het is wel de oudste….tenminste, voorlopig……

Tagged with:
 

image

image

image

image

Wat opvalt bij het bestuderen van LBK aardewerk is elke keer weer de kracht van het ‘design’. Het principe dat eraan ten grondslag lag is simpel, maar bereikte een coca cola-achtige populariteit zo een 7000 jaar geleden: over grote delen van Centraal Europa werd door middel van meanders, spiralen en variaties daarop uitdrukking gegeven aan eenzelfde culturele identiteit. Gedurende de latere bandkeramiek kwam een opvulling van de banden met spatelindrukken im schwung, maar het basisprincipe bleef onveranderd. Bandkeramisch aardewerk zal van Polen tot het Parijse bekken een duidelijke boodschap hebben uitgedragen, inmiddels niet meer te ontsleutelen, maar evenmin aanwezig.

Tagged with:
 

image

image

Vorige week stond in het teken van het ‘splitsen’ van de vindplaats Elsloo-Catsop. Ook hier kwamen weer mooie LBK vondsten aan het daglicht, zoals een zak vol oren. Wat ook opvalt is het vaak bijzonder versierde aardewerk, waarbij we met name bij Caberg nog het een en ander kunnen verwachten. Bijzonder dat al deze vondsten na duizenden jaren ondergronds en bijna een eeuw in het depot van het RMO nu de stilte weer verbreken.

Tagged with:
 

image

Bij het splitsen van het materiaal van Maastricht-Klinkers zijn al wel meer mooie stukken naar boven gekomen. Zo ook vorige week toen er tussen de versierde scherven een aantal opdook met een doorboring. Het zijn reparatiegaten die werden gebruikt om gebarsten of gebroken stukken keramiek op hun plek te houden. Ze werden waarschijnlijk met een vuurstenen boortje gemaakt en vervolgens werden de delen met een leertje op hun plek gehouden. De gaatjes in de Maastrichtse scherven zijn misschien wel de oudste van Nederland. Ze tonen aan dat, tenminste sommige, potten bijzonder of waardevol genoeg waren om gerepareerd te worden…al zullen ze in Maastricht vast beweren dat ze vroeger al niet voor één gat te vangen waren.

Tagged with:
 
Set your Twitter account name in your settings to use the TwitterBar Section.