All posts by admin

Bijnaderinzien

Bij nader inzien

Bij nader inzien is een tentoonstelling over nieuw onderzoek naar 31 ‘vergeten’ archeologische opgravingen in Nederland. De resultaten ziet u in deze afwisselende expositie over twee zalen, met onderwerpen uit de prehistorie, Romeinse tijd, Middeleeuwen en de Tweede Wereldoorlog.
Het LBK Odyssee project vormt ook onderdeel van de expositie.

Nieuw onderzoek naar oude opgravingen
In de vorige eeuw zijn door het hele land duizenden opgravingsprojecten uitgevoerd. Lang niet altijd werden de resultaten goed in kaart gebracht. Vondsten en documentatie verdwenen zelfs ongezien in dozen en lades. 31 van deze ‘vergeten’ opgravingen zijn de afgelopen jaren opnieuw bestudeerd. Dat gebeurde door middel van nieuwe technieken en met financiële steun van het ministerie van OCW, de wetenschapsorganisatie NWO en in samenwerking met de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed.
Twee zalen vol ontdekkingen

De eerste zaal van de tentoonstelling vindt u op de begane grond van het museum, vlakbij de ingang. Via een grote landkaart op de vloer maakt u in deze zaal kennis met alle projecten: 31 opgravingsprojecten en een digitaliseringsproject. De tweede zaal is op de eerste verdieping. Hier zijn de onderzoeken verdeeld over vier thema’s. U ziet objecten, verhalen, tekeningen, maquettes, reconstructies en foto’s. U leest welke ontdekkingen de vroegere én hedendaagse archeologen hebben gedaan.
Staalkaart van archeologisch Nederland

Samen leveren de opgravingsprojecten een fraaie staalkaart van archeologisch Nederland op: de Boshoverheide met de grootste prehistorische begraafplaats van Noordwest-Europa, Romeinse forten en dorpjes langs de limes en de kust, vroegmiddeleeuwse grafvelden en stadsopgravingen de eerste onderwateropgraving van Nederland en vondsten uit de Tweede Wereldoorlog.
Onderzoekers van nu doen verrassende ontdekkingen

Gebrek aan geld en tijd was vaak de reden dat opgravingen niet verder werden uitgewerkt. De vergeten opgravingsprojecten hebben vervolgens lang moeten wachten voordat iemand zich erover ontfermde. In de afgelopen vier jaar vormden deze projecten het vertrekpunt voor nieuwe, spannende zwerftochten door archieven en depots. De onderzoekers van nu doken in de stoffige dozen en mappen met vondsten, tekeningen, foto’s en documentatie en deden soms verrassende ontdekkingen.

Odyssee en de behouden thuiskomst
Het project om de vergeten opgravingen nieuw leven in te blazen kreeg van het ministerie en het NWO de naam Odyssee mee. Hiermee werd de behouden thuiskomst van belangrijke informatie over ons verleden gesymboliseerd, vrij naar de behouden thuiskomst van de Griekse held Odysseus na zijn mythische omzwervingen.

De tentoonstelling wordt van 15 april t/m 14 september 2014 gehouden in het Rijksmuseum van Oudheden in Leiden, Rapenburg 28.

Zie ook op facebook en het RMO

Bijnaderinzien

Steentijddag 2014

Programma voor de 24e Steentijddag op 25 januari 2014
Leiden, Lipsiusgebouw, Universiteit, Cleveringaplaats 1

10.30-11.00 Ontvangst, inschrijving, koffie en thee
11:00-11.30 Izabel Devriendt: Swifterbant stones. Het einde van een proefschrift, het begin van een verhaal
11.30-12.00 Willem-Jan Hogestijn: ‘To sieve or not to be?’ Het belang van boren en zeven voor steentijdvindplaatsen.
12:00-12:30 Simone Bloo en Peter Stokkel: Chronologiebepaling Vlaardingenaardewerk op basis van verschraling te mager?

12.30-14:00 LUNCH
Tevens is het mogelijk publicaties te kopen en te verkopen en elkaar vondsten te tonen.

14:00-14:30 Steentijdberichten
- Luc Amkreutz: Persistent Traditions. Neolithisatie in de wetlands (10 min)
- Marijke Bekkema:Van Zwerfkei tot Deksteen. Bouwmateriaal en verspreiding van megalithische monumenten in Nederland, Duitsland en Denemarken (10 min)
- Ivo van Wijk: boekaankondiging Odyssee Bandkeramiek (5 min)
-Linda Dielemans: Zomerwoud: het einde van de midden-steentijd tot leven gebracht (5 min)

14:30-15:00 Jan Willem van der Drift: Schuine bipolaire afslagtechniek in de oude steentijd. Nieuwe inzichten
15.00-15.30 THEEPAUZE
15:30-16:00 Alexander Verpoorte: Neanderthalers in Den Bosch – enkele eerste inzichten
16:00-16:30 Ineke de Jongh: Federmesser-patronen in Nederland en Vlaanderen
16.30-17.30 BORREL Borrel in het Rijksmuseum van Oudheden

Kijk op www.rmo.nl/steentijddag voor uitgebreide informatie over het programma.

[News]Prehistorische mannen waren werpers

Skeletten van prehistorische mannen – maar niet die van vrouwen – vertonen dezelfde beschadigingen aan de elleboog als professionele honkballers. In ellebogen uit latere tijden worden deze beschadigingen, die veroorzaakt worden door vaak werpen of hameren, nauwelijks meer teruggevonden. Dit blijkt uit een analyse van beschadigingen aan peesaanhechtingen van de elleboog bij 308 skeletresten uit de prehistorie (van de IJstijd tot circa 3.000 jaar voor Christus) en 953 uit latere tijden (Romeinse tijd tot nu). De studie verscheen in het Journal of Archaeological Science (online, 3 januari).

Waarschijnlijk betekent deze bevinding dat prehistorische mannen veel wierpen tijdens de jacht. In ieder geval wijst het op een duidelijke werkverdeling tussen man en vrouw. Deze beschadiging van pezen in de elleboog wordt in de moderne tijd alleen aangetroffen in heel specifieke beroepen, zoals honkbalwerpers en timmerlieden die extreem veel hameren. Het is iets anders dan de ‘gewone’ tennisarm, die ook in het verleden vaak voorkwam. Om te corrigeren voor schade die door algemene bewegingen ontstaat, bekeken de onderzoekers, een Franse antropologe en een Engelse archeoloog, de verhouding tussen ‘werpersarm’- en ‘tennisarm’-beschadigingen.

Dit artikel is verschenen in het NRC Handelsblad van maandag 13 januari 2014 op pagina 18

Abstract van het artikel:

Sexual division of labour in European prehistory is usually inferred by indirect means: ethnographic analogy, pictorial representation, or from grave inclusions. The study of skeletal activity-related morphology seems the most direct means by which to interrogate the question of sexual division of labour in past societies. In this paper we present the results of an analysis of enthesopathies (i.e. lesions of the tendon attachments) of the elbow in three time-successive population samples spanning the prehistoric, pre-industrial historic, and modern European eras. We employ an innovative analytical procedure, the lateral to medial epicondylar ratio (L/M ratio) to assess limb use. Results indicate a tendency for lateral epicondylosis in all samples, except for prehistoric males, who possess medial epicondylosis more frequently, and for the right side only. The increased prevalence of pathological changes of the right medial epicondyle suggests lateralized limb use that corresponds with “thrower’s elbow”. This indicates that males, but not females, preferentially employed movements involving throwing motions in these hunter-gatherer and early farming groups. Based on this evidence we postulate the existence of a persistent sexual division of labour in these prehistoric European populations involving one or several strenuous activities linked to unilateral limb use.

[News] Lezingenreeks 2014 –Thermenmuseum

Vanaf 28 januari 2014 organiseert het Thermenmuseum maandelijks een lezing in het thema ‘De eerste boeren’, horend bij de gelijknamige tentoonstelling die momenteel te zien is in het museum.
In de lezingencyclus staat de boerenlandbouw op de löss in Zuid-Limburg door de eeuwen heen centraal. Vijf lezingen belichten de belangrijkste perioden van vernieuwing: de Steentijd, de Romeinse tijd, de Middeleeuwen en de 19e eeuw.

Programma
28 januari 2014
drs. Ivo van Wijk – De Bandkeramiekers, eerste boeren van Limburg. (Bandkeramiek)

25 februari 2014
dr. Karen Jeneson – Van Keltische keuterboer tot Romeinse ‘agricola’. De transformatie van het boerenbestaan op de löss in de Romeinse tijd.

25 maart 2014
dr. Corrie Bakels – Wat zaait de boer? De keuze van het gewas. (IJzertijd – Karolingische tijd)

29 april 2014
dr. Hans Renes – Boeren in de Middeleeuwen.

27 mei 2014
Theo Bastiaens – Het oude nieuwe. (19e eeuw)

De lezingen vinden plaats in het Thermenmuseum en starten om 19.00 uur (inloop vanaf 18.30 uur). Het programma duurt tot ca. 21.00 uur.
Toegang: € 7,50; Passe-partout (5 lezingen) € 30,00.
Aanmelden: tel. 045-5605100, info@thermenmuseum.nl of via de balie van het Thermenmuseum

Over de sprekers
drs. Ivo van Wijk – senior projectleider – archeologisch bedrijf Archol te Leiden
dr. Karen Jeneson – conservator – Thermenmuseum Heerlen
dr. Corrie Bakels – archeobotanist – Universiteit Leiden
dr. Hans Renes – historisch geograaf – Universiteit Utrecht & Vrije Universiteit Amsterdam
Theo Bastiaans – voorzitter stichting Historische Landbouw – Schinveld

Tentoonstelling ‘De eerste boeren’
Het Thermenmuseum presenteert tot 1 juni 2014 de tentoonstelling ‘De eerste boeren’, over de zogenaamde Bandkeramiek-boeren. Dit waren de allereerste boeren op de vruchtbare Zuid-Limburgse lössgronden. De tentoonstelling is gemaakt door het Rijksmuseum van Oudheden (RMO) in Leiden, waar de tentoonstelling in 2012 te zien was. Met de presentatie in het Thermenmuseum zijn de schatten van Limburg weer terug op Limburgse bodem!

20131224-164345.jpg

Opgravingen op de Cannerberg [7]: start van de uitwerking

Reeds een paar maanden geleden is de opgraving op de Cannerberg afgerond. Nu wordt eindelijk de start gemaakt met de uitwerking van alle gegevens die in het veld zijn verzameld. Voor de bandkeramische periode zal de uitwerking zich op een aantal thema’s toespitsen. Ten eerste is dat de fasering van de nederzetting. Hoe lang heeft het bandkeramisch dorpje nu op de Cannerberg bestaan en hoeveel boerderijen hebben er tegelijkertijd gestaan. Om hier een antwoord op te kunnen geven zal in eerste instantie worden begonnen met het beschrijven en analyseren van al het bandkeramische aardewerk. Daarbij wordt vooral gelet op de versiering van het aardewerk. De versiering is namelijk een belangrijke indicator voor hoe oud het aardewerk is ten opzichte van elkaar. Een relatieve datering dus. Het uitgangspunt namelijk is dat het oudste aardewerk eenvoudig was versierd en dat deze in de loop der tijd steeds uitbundiger werd. Dat kwam omdat de wijze van versiering van moeder op dochter werd doorgegeven. Doordat de dochter telkens weer een nieuwe versieringsstijl of motief toevoegde ontstond uiteindelijk een patroon van vele motieven uitgevoerd met lijntjes en puntjes. Het aardewerk wordt dan per kuil beschreven on zodoende een relatieve datering van elke kuil die aardewerk heeft bevat te verkrijgen. Als we er van uitgaan dat een aantal kuilen tot een huisplattegrond heeft gehoord, met name de langskuilen die parallel aan het huis zijn gelegen, kunnen we uiteindelijk een datering van de huisplattegrond krijgen. Daarmee komen we gelijk op het tweede thema, namelijk de inrichting van de huisplaats. De huisplattegrond met haar langskuilen zal ongetwijfeld een deel hebben uitgemaakt van de huisplaats. Maar hoe was deze verder ingericht? Door alle kuilen die voldoende aardewerk hebben opgeleverd te dateren kunnen we zien welke kuil tot welke huisplaats mogelijk heeft behoord. Dit is nooit met zekerheid te zeggen maar we kunnen toch tot een redelijke benadering komen. Door goed te kijken naar alle vondsten die in deze kuilen zijn gedaan of beter gezegd al het afval dat in deze kuilen is gegooid, hopen we iets te kunnen zeggen over welke activiteiten op deze huisplaats hebben plaatsgevonden. Heeft er vuursteenbewerking plaatsgevonden, is alleen huishoudelijk afval weggegooid en zijn sommige kuilen misschien voor specifieke doeleinden gebruikt. Stap voor stap wordt het dagelijkse leven daarmee ingevuld. Of op z’n minsten benadering daarvan gegeven. Wat al langzaam duidelijk wordt is dat de nederzetting op de Cannerberg langer in gebruik is geweest dan we aanvankelijk dachten. Niet slechts enkele generaties maar toch gedurende een langere periode. Hoe lang zal nog moeten blijken. We analyseren rustig door!

Het beschrijven en opmeten van het aardewerk samen met Piet van de Velde

20131224-164107.jpg

[News]Europa: al in de Steentijd multiculti

Archeologie: nieuwkomers bepaalden niet alleen onze genen, maar ook onze culturen

Steeds vaker vinden archeologen aanwijzingen dat in het prehistorische Europa de volkeren over en door elkaar heen buitelden.

Het was, natuurlijk, altijd al een beetje gek. We mogen onszelf dan Europeaan noemen, een oud volk uit een oud continent – wie ons dna doorvlooit, ziet al snel dat het anders zit.

Een vuilnisbakkenras, die Europeanen. Haast de helft draagt dna dat duidt op een afstamming uit het Midden-Oosten. Een op de tien heeft een prehistorische genetische mutatie die afkomstig is uit de Kaukasus. Weer anderen hebben dna dat duidt op voorvaderen in Mesopotamië, Iran of West-Azië. Een samengesteld allegaartje: van alle autochtone Europeanen is slechts 10 tot 20 procent nakomeling van de oorspronkelijke volksstammen die hier na de laatste ijstijd binnentrokken.

Hoe dat zo is gekomen? Het lijkt erop dat de grote vermenging in de Nieuwe Steentijd plaatsvond (in noordwest-Europa: ongeveer 6000-2200 v. Chr.), zo schrijft deze week een onderzoeksteam rondom de flamboyante Duitse steentijdarcheoloog Harald Meller in Science. Sterker nog: de nieuwkomers hebben niet alleen onze genen, maar ook onze culturen vormgegeven.

Het team van Meller lichtte de afgelopen jaren de genetische profielen door van 562 prehistorische skeletten, en zet die deze week uit op een opmerkelijke tijdlijn: telkens als er een nieuw volk opdook, hing dat samen met de opkomst van een nieuwe cultuur, met nieuwe voorwerpen en leefwijzen of anders gevormd aardewerk. Alsof ieder volk zijn eigen slimmigheidjes meenam.

Het was lang taboe om zulks te beweren, legt de Leidse hoogleraar Europese prehistorie Harry Fokkens uit. ‘Vroeger was alles migratie’, schetst hij. ‘Bij iedere nieuwe cultuur die archeologen vonden, dachten ze meteen dat er een nieuw volk in het spel was.’ Totdat nieuwe dateringstechnieken gehakt maakten van die ‘migratietheorie’. Cultuur is immers iets wat mensen ook gewoon op elkaar overdragen, zo werd in de liefdevolle jaren zestig en zeventig het leidende paradigma. ‘Maar ik ben bang dat we er niet aan ontkomen dat er toch meer aan de hand was’, zegt Fokkens nu.

Het nieuwe Duitse onderzoek, het meest omvangrijke in zijn soort tot dusver, zet die kijk stevig aan. Op een filmpje waarin Meller en zijn consortium hun bevindingen samenvatten, spoelen de bevolkingsgroepen als kleurige inktvlekken over Europa, golf na golf, een mengsel van culturen en invloeden uit alle windrichtingen. 5500 jaar v. Chr.: een toestroom van stammen uit vermoedelijk Anatolië en het Midden-Oosten, tijdens de opkomst van de bandlineaire cultuur en de eerste landbouw. Rond 4000 v. Chr.: een volksverhuizing vanuit Duitsland naar Scandinavië, tien eeuwen later gevolgd door een beweging de andere kant op. 2800 v. Chr.: een plotse invasie vanuit het oosten, die gepaard ging met de opkomst van de zogeheten touwbekercultuur.

Centraal station

Zo kwam er om de haverklap een nieuw volk aanwaaien, met een nieuwe culturele invloed, nieuwe technieken, en een nieuwe ‘haplogroep’ – zoals bevolkingsgroepen in de genetica heten. West-Europa leek het centraal station wel. ‘We zijn geen simpel mengsel’, zegt Mellers eerste auteur, promovendus Guido Brandt, aan de telefoon. ‘Onze studie laat zien dat het beeld veel complexer is dan: de landbouw kwam uit het Nabije Oosten, en toen werden we allemaal boeren.’

Het is een stelligheid die overigens niet iedereen kan bekoren. ‘De populatie werd geleidelijk diverser’, beaamt Leendert Louwe Kooijmans, emeritus hoogleraar prehistorische archeologie in Leiden. ‘Maar om dat nou op te hangen aan afzonderlijke gebeurtenissen en migratiegolven, dat vind ik een beetje ouderwetse Duitse archeologie.’ Fokkens heeft soortgelijke bedenkingen – zo wijst hij erop dat de Duitsers wel erg gemakkelijk beweren dat de zogeheten klokbekercultuur uit Spanje kwam – maar is toch ook gefascineerd. ‘Je vraagt je af hoe zoiets gaat. Komt er soms een migrant aanlopen die zegt: je kunt je aardewerk beter zó maken?’

Waarschijnlijk ging het geleidelijker, weet Fokkens natuurlijk ook wel. In de vroege dagen van de landbouw ontstonden er bijvoorbeeld mengvormen: ‘Hazendonk en de Vlaardingencultuur waren waarschijnlijk boeren met een sterke jachtcomponent. En de Swifterbantcultuur (in onder meer het noordoosten van Nederland, ongeveer 5000-3400 v. Chr.) waren in feite jagers-vissers-verzamelaars met een koetje en een beetje graan.’

In andere gevallen hield men er soms gewoon twee gescheiden werelden op na. Zo bedreef de bandkeramische cultuur in Zuid-Nederland dik 5.000 jaar geleden al landbouw, terwijl de Vlaardingencultuur een paar duizend jaar later nog overwegend stoelde op visvangst, jacht en verzamelen. Ook in Frankrijk en België leefden oud en nieuw lange tijd naast elkaar.

Collega’s van Meller en Brandt kwamen gisteren per snelpublicatie op de website van Science met een ander intrigerend voorbeeld. Soms haalden de oude Europeanen hun schouders op over die malle nieuwkomers – en hielden ze stug vast aan hun eigen gebruiken, pal onder de neus van de immigranten.

Dat is althans het beeld dat volgens archeologe Ruth Bollongino van de Johannes Gutenberg Universiteit in Mainz opdoemt uit een grot genaamd Blätterhöhle. Die grot – in feite niet meer dan een nauwe spleet in een rotswand nabij Essen – lag bij ontdekking mudvol botten van herten, dassen, zwijnen. En van de steentijdmensen die er een goede vier- a vijfduizend jaar geleden woonden. ‘Graven hebben we er nooit gevonden’, vertelt Bollongino. ‘Alles lag door elkaar, de grot was eeuwenlang omgewoeld door wilde dieren. We weten niet eens of de mensen hier wel werden begraven, of gewoon op de grond gelegd. Het enige dat we redelijk zeker weten, is dat men de doden hier heeft binnengebracht.’

U en H

Het vervolgonderzoek leek een routineklus. Samen met collega’s van onder meer het Max Planck Instituut voor Evolutionaire Antropologie slaagde Bollongino erin minieme beetjes dna van 29 individuen uit de botten te isoleren. Genoeg om het haplotype te bepalen, de ‘familiecode’ van de doden. De oudste geraamten droegen het haplotype ‘U’ dat hoort bij jagerverzamelaars; bij de meer recente doden zaten behalve U-mensen ook leden van bevolkingsstam ‘H’, een importgroep die in verband staat met de eerste boeren. Helemaal volgens het boekje: zo’n 5.500 jaar geleden introduceerden nieuwkomers uit waarschijnlijk Anatolië de landbouw, en ging men boeren.

Alleen: dat was niet wat Bollongino zag toen ze de tanden van de doden bestudeerde, om te achterhalen wat ze zoal aten. De ‘H-mensen’ aten typisch boerenkost, bleek daaruit, zoals granen en vlees van boerderijdieren. Maar de ‘U-mensen’ aten vooral vis. Zelfs toen de landbouwrevolutie al tweeduizend jaar gaande was, vertikten de oorspronkelijke ‘U’-bewoners het kennelijk om ook een akker te beginnen, constateert Bollongino. Ze werden visser-jager-verzamelaars.

‘Heel vreemd’, zegt ze desgevraagd. ‘Deze mensen deelden duizenden jaren lang hetzelfde gebied met de boeren, dezelfde dodengrot zelfs, en toch hielden ze vast aan een heel andere leefstijl. Alsof je vandaag midden in het moderne Europa mensen ontdekt met dezelfde leefstijl als aan het begin van de jaartelling.’

Fokkens en Louwe Kooijmans hebben twijfels – zo valt op het voedingsonderzoek veel af te dingen – maar Fokkens beaamt wel dat het beeld past bij wat archeologen al dachten. ‘Ze zullen ruilhandel hebben bedreven’, oppert Bollongino, verwijzend naar moderne etnografische studies in Afrika en op de Filippijnen van jagers en boeren die in elkaars buurt leven. ‘Wij een mand met graan van de akker, jullie vanavond verse vis of pas gevangen hert op tafel.’

Zo begint de Nieuwe Steentijd, ooit een amorfe prehistorische mist die zich uitstrekte over enorme gebieden en tijdvakken, warempel steeds meer op gewone geschiedenis te lijken, met afzonderlijke volkeren, leefstijlen en vooral heel veel plaatselijke verschillen. ‘Allerlei dingen die we veronderstelden, beginnen handen en voeten te krijgen,’ zegt Louwe Kooijmans.

TERUGPUZZELEN

Zoals een achternaam of een woord met de tijd soms iets van schrijfwijze kan veranderen, zo verspringt ook ons dna af en toe een letter. Soms gebeurt dat op stukken dna die een functie hebben, maar vaak ook vinden de mutaties plaats op plekken zonder betekenis. Dat is interessant voor het afstammingsonderzoek. Omdat zulke ‘loze plekken’ niet onder selectiedruk staan, kun je er de geschiedenis van het dna uit afleiden – ongeveer zoals je kunt terugpuzzelen dat de achternaam Janssen zich ooit misschien heeft afgesplitst van de familie Jansen.

Populair is het ‘mitochondriale dna’, erfelijk materiaal dat niet in de celkern zit maar in celonderdelen genaamd mitochondriën, en dat iets gemakkelijker uit oude botten en tanden is te halen. Dit ‘mtdna’ zit niet in zaadcellen, en gaat daarom alleen over van moeder op dochter: het markeert dus de vrouwelijke afstammingslijn, van moeder op dochter op kleindochter.

Groepen die dezelfde genetische mutatie dragen en dus in dezelfde bloedlijn vallen, vormen een ‘haplogroep’, in de regel aangeduid met een letter. In Europa is bijvoorbeeld 10 procent drager van een mutatie waardoor ze in haplogroep ‘K’ vallen: de mutatie moet zo’n 16 duizend jaar geleden zijn ontstaan, vermoedelijk in het Nabije Oosten.

Van alle autochtone Europeanen is slechts 10 tot 20 procent nakomeling van de oorspronkelijke volksstammen

Duizenden jaren lang deelden stammen hetzelfde gebied, en toch hielden ze vast aan een heel andere leefstijl
Skelet van een vrouw uit de touwbekercultuur, ca. 2800 v. Chr., gevonden in Karsdorf, Duitsland. De witte rondjes zijn kralen van schelp

Zie ook het Duitse persbericht

Overgenomen uit de Volkskrant 13 oktober 2013
geschreven door Maarten Keulemans

[News]Verzamelaars leefden samen met boeren

Jager-verzamelaars en boeren leefden meer dan tweeduizend jaar samen in Europa.
Dat schrijven antropologen van de Johannes Gutenberg University Mainz deze week in Science.
Dit is opvallend, omdat onderzoekers tot nu toe dachten dat de verzamelaars snel verdwenen nadat er boeren kwamen. Tot 7500 jaar geleden waren alle Europeanen jager-verzamelaars.
Rond die tijd kwamen de boeren naar Europa, vanuit gebieden die we nu kennen als Syrië, Irak en Iran, zo bleek uit eerder genetisch onderzoek van dezelfde universiteit.
Vanaf 7500 jaar geleden zijn er bovendien weinig overblijfselen van de jager-verzamelaars gevonden. Men nam dus aan dat de verzamelaars waren uitgestorven of dat ze boeren waren geworden. Uit het nieuwste onderzoek blijkt echter dat ze hier nog tot 5000 jaar geleden leefden, veel langer dan tot nu toe werd aangenomen.

Kinderen
Vrouwelijke verzamelaars trouwden wel met boeren, maar andersom trouwden er geen boerinnen met verzamelaars. Boerinnen wilden geen relatie met een verzamelaar, omdat ze met boeren meer kinderen konden krijgen.
De vraag is welke invloed beide bevolkingsgroepen hebben op de genen van de huidige Europese bevolking. Ook daar formuleerden de antropologen een antwoord op. We blijken zowel van de jager-verzamelaars als de boeren af te stammen, al blijft het een raadsel hoe en in welke mate hun genetisch materiaal met elkaar gemengd is.

Voor een uitgebreidere uitleg en het gepubliceerde artikel zie hier of meer recent deze of deze.

Door: NU.nl/Desiree Hoving

Abstract van het Science Artikel (Bramanti et al 2009)
After the domestication of animals and crops in the Near East some 11,000 years ago, farming had reached much of central Europe by 7500 years before the present. The extent to which these early European farmers were immigrants or descendants of resident hunter-gatherers who had adopted farming has been widely debated. We compared new mitochondrial DNA (mtDNA) sequences from late European hunter-gatherer skeletons with those from early farmers and from modern Europeans. We find large genetic differences between all three groups that cannot be explained by population continuity alone. Most (82%) of the ancient hunter-gatherers share mtDNA types that are relatively rare in central Europeans today. Together, these analyses provide persuasive evidence that the first farmers were not the descendants of local hunter-gatherers but immigrated into central Europe at the onset of the Neolithic.

Nieuws_Bandkeramiek-540x304

Documentaire Bandkeramiek | Mosasaurusfilm

In samenwerking met Archol, Museum Het Domein, het Rijksmuseum van Oudheden, Moerveld – praktisch educatief buitencentrum, Maaskant Wonen en de Gemeente Stein realiseerden Mosasaurusfilm en KF InHeritage de korte documentaire Bandkeramiek.

 

Bekijk de trailer hier:

Zo’n 13.000 jaar geleden vond er in het Midden-Oosten een revolutionaire gebeurtenis plaats: mensen gingen voor de eerste keer permanent op één plek wonen. Voor die tijd trokken alle mensen op aarde als nomaden door het landschap. Nu werden ze boer. Deze eerste boeren verspreidden zich door Europa over een periode van duizenden jaren. 7.000 jaar geleden kwamen ze ook aan in Nederland. Of meer precies, in het tegenwoordige Limburg.

Mysterie
De Bandkeramiek heeft in Limburg maar heel kort bestaan: ca. 300 jaar, oftewel 10 generaties. Twee tot drie generaties voor het einde is er nog een behoorlijke bevolkingsgroei maar vanaf 4.950 voor Christus vinden we geen sporen meer. Wat is er gebeurd waardoor het volk van de Bandkeramiekers zo plotseling van de aardbodem verdween…?

Archeologische opgravingen
De bandkeramische nederzetting van Elsloo (L) is met ruim 95 gebouwen en vele honderden grote kuilen/structuren de grootste opgegraven nederzetting uit het Vroege Neolithicum van Nederland. De combinatie met een uitgestrekt grafveld dat deels kon worden onderzocht maakt de vindplaats uniek in zijn soort en daarmee kan de vindplaats beschouwd worden als een typesite voor deze periode in onze geschiedenis. Het onderzochte deel van de nederzetting bestond uit de paalsporen en wandgreppels van gebouwen (huizen) van diverse formaten, grote kuilen langs de huizen (langskuilen), verschillende clusters grote kuilen waarvan de functie niet altijd duidelijk is, nederzettingsgreppels en silo’s (opslagkuilen voor granen e.d.).

Het onderzoek naar de bandkeramische nederzetting te Elsloo startte in 1958. Tussen 1958 en 1967 is onder leiding van prof. dr. P. Modderman een groot deel van de bandkeramische nederzetting te Elsloo (Koolweg) opgegraven. Hierbij is de vondstrijke bovenzijde van de sporen selectief onderzocht. In 1966 werd ten noorden van Burg. De Witstraat een (deel van een) begraafplaats uit dezelfde periode opgegraven, bestaande uit 113 graven, waaronder 47 crematie- en 66 inhumatiegraven.

In 2006 zijn ten behoeve van fase I Elsloo-Riviusstraat, een woningbouwproject van Stichting Maaskant Wonen, aansluitend aan het onderzoeksterrein van Modderman sporen gevonden van acht bandkeramische huizen en de daarbij naastgelegen langskuilen aangetroffen. Eveneens zijn twee grote kuilencomplexen aangetroffen waar verschillende silokuilen waren uitgegraven die een speciale activiteitenzone binnen de nederzetting vertegenwoordigden.

Op 31 juli 2012 is fase II Elsloo Riviusstraat van start gegaan. De gehele maand augustus is een aanvullend stuk in het centrum van de nederzetting opgegraven. Naar verwachting worden minimaal 12 bandkeramische huizen met bijbehorende kuilen en vondsten aangesneden en opgegraven.

Expeditie Limburg
Expeditie Limburg – ontdek het verleden is een TV- en internetserie van filmmaker Robin Peeters en cultuurhistoricus Kris Förster. De productie is in handen van Mosasaurusfilm. De serie beslaat veel onderwerpen: cultuur, folklore, geschiedenis, mensen, mysteries, natuur, wetenschap en meer. Bandkeramiek is een aflevering uit Expeditie Limburg en vormt tevens de basis van een in ontwikkeling zijnde lange documentaire over de Bandkeramische cultuur.

EAA logo_small

Odyssee naar Pilsen (Tsjechië)

Komende week gaat het Europees Archeologie Congres (EAA) van start in Pilsen. Vanuit de Odyssee wordt een sessie georganiseerd en zullen ook twee lezingen worden verzorgd. Het volledige programma en de abstracts zijn hieronder weergegeven:

 

Programma
08:30–08:50 A36.01: In between LBK worlds: The Mosel area through the Luxemburg case study by Anne Hauzeur (National Center of Archaeological Research, Luxembourg)

08:50–09:10 A36.02: House, Household and Village in the LBK in Little Poland by Lech Czerniak (University of Gdansk, Poland)

09:10–09:30 A36.03: Storage pits, graves and cult features within longhouses. New aspects of LBK house characteristics (in Little Poland). by Adriana Badtke (University of Gdansk, Poland)

09:30–09:50 A36.04: What the large LBK longhouse means and what happened after LBK boom in Central Europe? by Jaromír Beneš (University of South Bohemia, Czech Republic), Václav Vondrovský (University of South Bohemia, Czech Republic)

09:50–10:10 A36.05: This land is your land, this land is my land. Is there uniformity in the Dutch Bandkeramik settlement patterning? by Ivo van Wijk (Archeological Research Leiden (ARCHOL), The Netherlands)

10:10–10:30 Discussion

10:30–11:00 Coffee break

11:00–11:20 A36.06: Linking Lithics. Interpreting flint raw material diversity in the Dutch Linearbandkeramik (LBK) by Marjorie de Grooth (retired, Germany)

11:20–11:40 A36.07: Flint, obsidian and radiolarite: distribution of the stone raw materials in early farming societies of Lesser Poland by Jarosław Wilczyński (Institute of Systematics and Evolution of Animals, Polish Academy of Sciences, Poland)

11:40–12:00 A36.08: Regional and social diversity of earliest LBK in southwestern Germany by Hans-Christoph Strien (Johannes Gutenberg-Universität, Germany)

12:00–12:20 A36.09: Your mother smelled of elderberries: the changing role of ‘hunter-gatherer’ ceramics in an LBK context by Daniela Hofmann (Universität Hamburg, Germany)

12:20–13:00 Discussion

13:00–14:00 Lunch break

14:00–14:20 A36.10: Tracing new lines of development: a technological study of the Linearbandkeramik and Blicquy/Villeneuve-Saint-Germain ceramic assemblages from Hesbaye (Belgium) by Barbara van Doosselaere (University of Namur-FUNDP/University of Paris 1-UMR 8215, Belgium), Louise Gomart (Loránd Eötvös University – ELTE, Hungary), Laurence Burnez-Lanotte (University of Namur-FUNDP/University of Paris 1-UMR 8215, Belgium)

14:20–14:40 A36.11: A matter of degree: investigating LBK diversity through isotopic analysis by Penny Bickle (University of Bristol, UK)

14:40–15:00 A36.12: Burial architecture at the end of the western Bandkeramik (Paris basin): innovation or a common pattern? by Corinne Thevenet (UMR 8215-Trajectoires, France)

15:00–15:20 A36.13: Ritual-burial complex of LBK in Niezvisko on the Dniester, the western Ukraine by Maciej Dębiec (Pracownia Archeologiczna “Obsydian”, Poland)

15:20–15:40 A36.14: Diversity in ritual practices at the end of the Linear Pottery Culture (Linienbandkeramik) by Andrea Zeeb-Lanz (Generaldirektion Kulturelles Erbe Rheinland-Pfalz, Germany), Fabian Haack (Generaldirektion Kulturelles Erbe Rheinland-Pfalz, Germany)

15:40–16:00 Discussion and synthesis

 

abstracts can be downloaded here.

Ivo van Wijk oreert over de reconstructieplaat van Mikko Kriek, Cannerberg, Centre Céramique Maastricht

LBK weer thuis!

Zoals ook de wet van Malta propageert is het een belangrijke taak voor de archeologie dat de informatie over nieuwe ontdekkingen en vondsten ook gecommuniceerd  wordt naar een breder publiek. Binnen het Odyssee-project zijn we die verplichting ook aangegaan tegenover NWO en dat is uitgemond in onder meer deze website en een kleine tentoonstelling, getiteld ‘de eerste Boeren’ in het Rijksmuseum van Oudheden, waarover eerder al werd bericht. Nu is die communicatie noodzakelijk maar ze blijft toch ook in enige mate abstract omdat het de verslaglegging van een onderzoek en resultaten betreft, van deels nog niet afgerond onderzoek, en buiten de directe context van het gevondene. Vanuit het perspectief van het RMO is dat een van de manco’s, het gemis van een landschappelijke omgeving, waar een verhaal echt thuis hoort. Gelukkig bleef het daar niet bij. Vrij kort na de presentatie meldde zich, onder meer,  het Thermenmuseum in Heerlen in de persoon van conservator Karen Jeneson. Men was erin geïnteresseerd de presentatie over te nemen. Hoewel het zwaartepunt van het Thermenmuseum natuurlijk de Romeinse bewoning van Zuid-Limburg betreft, heeft men geen oogkleppen op en heeft, zeker ook binnen het samenwerkingsprogramma Historisch Goud, de ambitie om de Limburgse archeologie breder in de kijker te spelen. Daarom toog ik eind juni dan ook naar mijn geboorteplaats om samen met Karen de tentoonstelling in te richten.  Hoewel de presentatie voor een belangrijk deel dezelfde is als in Leiden, heeft de tentoonstelling door het ruimtegebruik, de andere vitrines, met andere afmetingen en de aparte plek voor de maquette toch een andere ‘feel’. Sommige stukken zijn beter te zien en je kijkt er op een andere manier naar. In de communicatie naar buiten ligt het accent ook meer op de rol van de LBK in Limburg met als titel: ‘De eerste boeren. Over de bandkeramiek op de Zuid-Limburgse lössgronden’. Opvallend is ook de tekst op de website: ‘Met deze presentatie zijn de schatten van Limburg weer terug op Limburgse bodem!’ Het lijkt me goed dat op te vatten als een positieve vorm van chauvinisme, waarbij het doel is de mix van beheer van archeologische objecten, onderzoek, het maken van tentoonstellingen en het tonen van vondsten en nieuwe ontdekkingen nationaal en regionaal zoveel mogelijk te maximaliseren. De tentoonstelling is in ieder geval nog tot en met 1 juni 2014 in Heerlen te bewonderen en zoals eerder al werd bericht zal in het najaar een lezingenprogramma plaatsvinden. Houd de website van het Thermenmuseum in de gaten: http://www.thermenmuseum.nl/activiteit/de-eerste-boeren-van-nederland.

Tweetal vitrines van "De eerste boeren', Thermenmuseum Heerlen
Tweetal vitrines van “De eerste boeren’, Thermenmuseum Heerlen
Een vitrine met dissels, vuursteen, en een maalsteen 'De eerste boeren' Thermenmuseum Heerlen
Een vitrine met dissels, vuursteen, en een maalsteen ‘De eerste boeren’ Thermenmuseum Heerlen
maquette Elsweiler 'De eerste boeren' Thermenmuseum Heerlen
maquette Elsweiler ‘De eerste boeren’ Thermenmuseum Heerlen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Een ander voorbeeld is de presentatie die onlangs in Maastricht opende naar aanleiding van de opgraving van de bandkeramische nederzetting op de Cannerberg. In samenwerking met Archol en de gemeente Maastricht/Centre Céramique is hier, na gunning van het project, door het Rijksmuseum van Oudheden en Centre Céramique een presentatie gemaakt, getiteld: ‘De eerste Maastrichtenaren waren tóch boeren’ (zie: http://erfgoed.centreceramique.nl/index.php?id=3985). Samen met conservator Wim Dijkman richtte ik daar medio juli de presentatie in.

De mini-expo die nog tot 1 september loopt biedt een eerste blik op de ontdekkingen gedaan op de Cannerberg. Zo komen, (naast een stuk ontdekkingsgeschiedenis, dat begint met de brief van Kengen aan Holwerda en tevens een vitrine met vondsten van ontdekker Hub Philippen), diverse vondsten uit de bandkeramiek, ijzertijd, Romeinse tijd en moderne periode aan bod.

Bijzonder is dat de tentoonstelling slechts enkele weken nadat de laatste schep de grond in was gegaan plaatsvond: de modder zat er soms nog aan. Op die manier konden de mensen uit Maastricht, die al via diverse artikelen en filmpjes op de hoogte van de ontdekkingen waren gehouden meteen een kijkje komen nemen van/bij hún erfgoed. Op die manier merk je dat wat door de archeologen de nederzetting ‘Hoogcanne’ is gedoopt al snel onderdeel van het culturele repertoire van de Maastrichtenaren wordt. Hoewel ik als boer uit Segietere natuurlijk vooral trots was op  de titel, bleek die associatie en ‘het claimen van het verleden’ ook uit de Maastrichtse versie ervan: ‘dus de eerste boeren waren Maastrichtenaren’.

Een mooie kroon op deze Blitztentoonstelling vormt de reconstructietekening die door Mikko Kriek gemaakt is. Doordat een deel van de uitwerking van de gegevens al tijdens het veldwerk plaatsvond was er op het niveau van de nederzetting zelf al heel wat informatie beschikbaar. Aan de hand daarvan en de input van verschillende experts kon een tot de verbeelding sprekende reconstructie van ‘Hoogcanne’ gemaakt worden. Juist dat soort beeldende elementen brengt voor veel mensen het verleden dichterbij.

Uit beide voorbeelden spreekt de waarde van het tonen van cultureel erfgoed in de regio waar het gevonden wordt. In het geval van Heerlen de ambitie om een podium voor Limburgse archeologie te zijn en in het geval van Maastricht door het publiek direct bij recent ontdekt erfgoed te betrekken. De rol van het RMO krijgt in dit soort projecten ook steeds meer gestalte. Uit de plannen voor het nieuwe museumbestel en in de in juni verschenen museumbrief van het ministerie van OCW blijkt dat deze rol ook degene is die van ons in de toekomst wordt verwacht. Het RMO is in die zin een centraal museum of moedermuseum dat niet alleen in huis, maar juist ook regionaal haar collectie en kennis inzet in publiekscommunicatie. Van enkel een instituut worden we wellicht ook meer een netwerk en een merk. De enthousiaste samenwerking met de collega’s in Maastricht en Heerlen, maar ook bv. in Ede afgelopen jaar vormt daar een voorbeeld van. Wellicht hebben we de periode van parochialisme versus Bovenmoerdijkse arrogantie, waarmee Holwerda al kampte nu wel definitief achter ons gelaten.

door Luc Amkreutz

Ivo van Wijk oreert over de reconstructieplaat van Mikko Kriek, Cannerberg, Centre Céramique Maastricht
Ivo van Wijk oreert over de reconstructieplaat van Mikko Kriek, Cannerberg, Centre Céramique Maastricht
Net uit het Veld'Cannerberg Centre Céramique Maastricht
Net uit het Veld’Cannerberg Centre Céramique Maastricht
Overzicht van de tentoonstelling, Cannerberg, Centre Céramique Maastricht
Overzicht van de tentoonstelling, Cannerberg, Centre Céramique Maastricht